is toegevoegd aan uw favorieten.

De leer der zielsvermogens

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

36

overzicht van de geschiedenis der vermogensleer

hoofdstuk iii.

THOMAS VAN AQUINO.

13. De vijftien eeuwen die thomas van aquino scheidén van aristoteles, zijn, zooals een blik in iedere geschiedenis der psychologie toont, niet zonder belang geweest voor de zielkunde. Dit is niet te verwonderen, wanneer men let op de beoefening der afzonderlijke wetenschappen, die in het Hellenistisch tijdvak opkwam, en de bizondere waarde, die het Christendom hechtte aan het leven van den geest Maar evenzeer is het na te gaan, dat dit tijdsverloop voor ons onderwerp niet de rijkste stof geeft. In het Hellenisme trad meer het onderzoek naar afzonderlijke feiten op den voorgrond, dan de doordringende begripsvorming, die aristoteles gekenmerkt had. Wel werden ook op psychologisch gebied waardevolle begrippen gevormd, maar niet werden ze consequent doordacht en tot systematische eenheid gebracht. Wanneer we b.v. lezen, dat de Stoa acht vermogens onderscheidde: het verstand of leidende deel der ziel, waarin voorstellingen, oordeelen en strevingen wonen, en dan nog de vijf zinnen, het spraakvermogen en het voortplantingsvermogen, — dan kunnen we dit moeilijk als toonbeeld van zielkundige systematiek aanzien. En bij de ontwikkeling der Christelijke leer en wetenschap in de Patristiek en Middeleeuwen vroegen aanvankelijk meer de ethisch-theologische zijden der zielkunde de aandacht, dan de meer formeele vraag, hoe de eenheid van den mensch zich verhoudt tot de veelheid zijner psychische openbaringen.

Resultaat van het genoemde tijdperk is, dat de zielkundige stof vermeerdering ondergaat, maar dat pas weer een nieuwe systematische eenheid wordt verkregen in de herleving van het Aristotelisme bij Thomas. Toch zijn tusschen Aristoteles en Thomas belangrijke momenten aan te wijzen, die ten deele een voorbijgaand karakter dragen, ten deele de kiemen bevatten van een zienswijze, die zich op den duur met de vermogenszielkunde niet zal verdragen.

Onbelangrijk zou het zijn op te sommen, welke vermogens deze en gene al aannam. Het komt er op aan de plaats te bepalen, die dit begrip in de opvatting van het zieleleven innam. aristoteles had getracht de verschijnselen — ook die wij physiologische