is toegevoegd aan uw favorieten.

De leer der zielsvermogens

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

68

de bestrijding der vermogensleer

zieleleven zich liet verklaren door het terug te brengen tot eenvoudige elementen, konden de vermogensleer ontberen. Deze richtingen bestonden van ouds, en men kan zich verwonderen, dat het niet tot openlijken strijd kwam. Hieraan stond evenwel in den weg het natuurlijke en als van zelf sprekende gebruik eener vermogensterminologie, die in woorden als verstand, wil enz. hulpmiddelen schonk, ook voor hen te gebruiken, die geen vermogenssysteem wilden.

We dienen iets meer van deze verschillende richtingen te zeggen. Niet vijandig tegen de vermogensleer, maar toch het accent verleggend, stond de introspectie, de nauwkeurige beschouwing van het eigen zieleleven. Er bestaat geen zielkunde, die het zonder deze zelfervaring kan doen. Maar de vermogenspsychologie gebruikt ze slechts als aanleiding om haar systeem der zielekrachten te ontwikkelen. Aristoteles kent natuurlijk wel de zelfervaring, maar onderscheidt ze niet wezenlijk van de ervaring der buitenwereld. Ze is ook hem nog middel en geen object van onderzoek. Pas bij het Neo-Platonisme (plotinus 204—269) vertoont zich duidelijk de opvatting van de ziel als bewustzijnsleven. De blik wendde zich, op wat er van binnen omgaat. Inplaats van het zielsgebeuren op te vatten naar het schema van het natuurgebeuren, de ziel te zien als een natuurverschijnsel, vatte het Neo-Platonisme de wereld op naar analogie van den geest, d.w.z. van het bewustzijn. Wie de wereld wilde kennen, moest zich zelf kennen, zooals hij zich in onmiddellijke ervaring, vooral in het gevoelsleven, ondervond.

De invloed van het Neo-Platonisme is groot geweest — ook bij augustinus, den Christelijken philosoof op de grens van patristischen tijd en Middeleeuwen (354—430). Hoezeer hij de man was van de fijne introspectie en het beschrijven van eigen innerlijk, blijkt vooral uit zijn Confessiones. Het is hem niet te doen om den mensch als natuurfactor, maar als volheid van inwendig leven. Daarbij maakt hij wel onderscheid tusschen verschillende richtingen in het zieleleven, maar dit wordt nooit tot scheiding. Met de vermogensleer stemt hij hierin overeen, dat de psychische werkzaamheden uit de ziel opkomen, ja de activiteit der ziel is bij hem nog wel zoo groot als in het stelsel van Aristoteles. De ziel is niet vorm van het lichaam, maar heeft het als orgaan in haar dienst Spreekt men echter van vermogens in het meervoud, dan gaat hij slechts gedeeltelijk hierin mee. In al haar werkingen openbaart zich de geheele ziel. Actief komt ze in het bezit van een menigte voor-