is toegevoegd aan uw favorieten.

De leer der zielsvermogens

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OUDERE TEGENSTROOMINGEN

71

strijdvragen over dingen, die geen nut hadden, en zich te wenden tot de practijk en verklaring te zoeken van datgene, wat zonder speculatie kan worden ingezien. In het zieleleven meende hij in het enkelvoudige reeds de kiem te zien van het hoogere, en het meer samengestelde te kunnen begrijpen uit het lagere. In de gewaarwording en sterker nog in de aanschouwing is reeds in beginsel een oordeelen werkzaam, en waar de aanschouwing zich verbindt met de herinnering liggen hierin de gevoelstoestanden van hoop en vrees opgesloten. Zoo is de voorstelling het psychische grondverschijnsel; zij leidt theoretisch tot de meening, en door vergelijking der meeningen tot weten, tot verstandelijke overtuiging en tot contemplatieve kennis; practisch leidt ze tot de velerhande gevoelsreacties, die in 't dagelijksch leven optreden.

Met de bestrijding der scholastiek in den Renaissance-tijd werd de empirische richting in de zielkunde versterkt. Een baanbreker in deze richting was de Spanjaard VlVES, een jonger tijdgenoot van ERASMUS. Hij geloofde wel aan een ziel, zelfs aan twee — een in 't hoofd en een in 't hart, maar meende: over 't wezen der ziel is niet veel te zeggen. De taak der zielkunde is geen andere, dan de verschijnselen en hun samenhang te onderzoeken. Hier staan we op vasten bodem, we hebben slechts in ons zelve te zién. Door de associatie der voorstellingen schijnt hem veel te kunnen verklaard worden.. Ook BACON sprak in denzelfden geest

In de 17e eeuw treedt dan HOBBES (1588—1679) op, die van zijn associatie-denkbeelden veel aan ARISTOTELES schijnt ontleend te hebben, maar ze op materialistische wijze aanwendt.

Onder den invloed der nieuwere natuurkunde tracht hij ook het zieleleven mechanisch, materialistisch te verklaren. De gewaarwording is de reactie van het organisme op een uitwendige inwerking. Voorstellingen die elkaar „aanraken" (gelijktijdig of vlak na elkaar optreden) vereenigen zich, daar de lichamelijke processen waardoor ze ontstaan, een eenheid vormen. Dit alles is stoffelijk te verklaren, daar gewaarwordingen en voorstellingen slechts werkingen van de stof zijn. Zoo is het ook met de gevoelens, die berusten op een prikkeling, gaande van de zintuigen tot het hart, waardoor de bloedsomloop óf begunstigd wordt (lust) of wordt belemmerd (onlust).

We zien hier een associatie-leer die de psychische wetmatigheid „begrijpelijk" tracht te maken door een herleiding tot stoffelijk ge-