is toegevoegd aan uw favorieten.

De leer der zielsvermogens

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

herbart en beneke

81

minkt al in de opvatting; we zouden kunnen vragen: hoe wist herbart dat, zonder — zelfwaarneming? In ieder geval: de verdeelingen, die men maakt deugen niet Men scheidt b.v. voorstellen en gevoelen, terwijl het nog de vraag is, of gevoel zonder voorstellen bestaat; evenzoo neemt men het begeeren afzonderlijk, dat toch nooit zonder gevoelen en voorstellen aanwezig is. Een bepaald vermogen, b.v. het geheugen, kan men al maar onder- en onderverdeelen (woordgeheugen, zaakgeheugen), enz., zonder dat men werkelijke verschijnselen specialiseert, d.w.z. aangeeft onder welke omstandigheden ze optreden. (Werke V, 214).

We vragen: wanneer deze classificatie dan niet deugt, waarom geeft Herbart geen betere? Als de vermogens klasse-namen zijn, maar die klassen niet zuiver zijn ingedeeld, waarom geen andere indeeling gegeven? Het antwoord hierop geeft een zeer zwak punt bij Herbart aan. De zielsverschijnselen in hun loop, zegt hij, zijn zoo moeilijk waar te nemen, dat men hun kenmerken niet zoo nauwkeurig kan. beschrijven, als voor een juiste indeeling noodzakelijk is. De consequentie hiervan zou zijn: dan is geen of slechts een zeer onvolkomen zielkunde mogelijk. Maar herbart juist zal, voor het eerst in de geschiedenis meent hij, een zielkunde als wetenschap geven. De feiten zullen verklaard, hun wetten mathematisch worden vastgesteld. Hoe kan herbart verklaren, wat hij niet eens nauwkeurig zegt te kunnen waarnemen? Het zal moeten uitloopen op een werken met onbewezen onderstellingen; de uitkomsten zullen moeten worden getoetst: waaraan?

Maar we gaan verder. De klasse-namen verbonden met hun promotie tot werkelijke vermogens in de ziel, deed, zeide hij, de zielkunde omslaan in mythologie. De vermogens worden menschen in den mensch. Op deze eigenaardigheid, die de vermogensleer op zichzelf niet behoeft te vertoonen, maar die ze inderdaad dikwijls vertoont, vestigt Herbart sterk de aandacht Wanneer men eens nagaat, zegt hij, wat men in het spraakgebruik met „verstand" en „rede" bedoelt, dan kan men defmiëeren: „Verstand is het vermogen, ons in het denken naar de hoedanigheid van het gedachte te richten" en „Rede is het vermogen, te overleggen, en naar de uitkomst der overlegging zichzelf te bepalen" (Werke VI, 51). Wat blijkt nu? Het verstand bezit rede. Want hoe zou men ooit zijn gedachten overeenkomstig de hoedanigheid van het gedachte kunnen inrichten, zonder dikwijls overleg te hulp te nemen? — Even

Zielsvermogens 6