is toegevoegd aan uw favorieten.

De leer der zielsvermogens

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

82

DE BESTRIJDING DER VERMOGENSLEER

duidelijk is een tweede stelling: de rede heeft verstand. Want hoe zou het overleg tot juiste beslissing kunnen voeren, wanneer de gedachtenrijen, die in het overleg zich ontwikkelen, niet met de hoedanigheid van het gedachte in overeenstemming waren? Even gemakkelijk zou men kunnen bewijzen, dat beide, verstand en rede, ook een gevoel- en een begeervermogen hebben; daar beide er naar streven, te denken; en het gevoelen, wanneer zij het doel van hun streven bereiken. Wie zal zich daarover verwonderen? Ieder zielsvermogen is reeds lang in onze psychologie gewend, als een volledige persoon handelend op te treden; het ontbreekt er nog maar aan, dat het verstand, bij de andere vermogens die het al heeft, ook nog verstand, — de rede, bij de andere vermogens die ze reeds lang bezit, ook nog rede krijgt (Werke VI, 57).

En hoe werken nu die gepersonifieerde vermogens samen? Dat is moeilijk in te zien. „Er ontstaan niet te beantwoorden vragen over het caasaalverband der zielsvermogens met elkaar, waardoor ze bij 't samenwerken in elkaar ingrijpen, en elkaar wederkeerig tot werkzaamheid aansporen, of aandrijven of dwingen" (VI, 216). Waar men zoo met het verband geen raad weet, gaat men zooveel mogelijk het onderscheid en de tegenstrijdigheid der vermogens na. „En hierin heeft men het inderdaad ver gebracht De zielsvermogens schijnen in een waren bellum omnium contra omnes te verkeeren. De voorstellingskracht aan zichzelf overgelaten, brengt drogbeelden voort; maar de zinnen verjagen ze; doch dikwijls ook laten ze zich door haar bedriegen, zoodat zelfs wel spoken met de oogen gezien worden. Een sterk geheugen komt voor bij een zwak verstand; de versterking van het eene doet nadeel vreezen voor het andere. Nog minder houdt het verstand vrede met de zinnen; het ontdekt hun bedrog en toont aan, dat de zon stil staat, en de roeiriem ook in 't water recht is; het ziet eenvoudige wetten, waar de zinnen niets dan wanorde zagen. Niet beter stemmen verstand en fantasie overeen; het vindt haar dwaas en van de hak op den tak springend; de fantasie vindt het verstand onbeholpen en droog. Beter dan beide schijnt de oordeelskracht zichzelf toe; het verstand kende slechts den regel, zij pas kent het rechte en ware met juistheid in 't afzonderlijke geval. Maar de rede verschijnt; zij verheft zich tot het bovenzinnelijke, oneindige, tot de eigenlijke waarheid, terwijl al de anderen op den bodem der verschijningswereld kruipen. Bij deze twisten blijven gevoel en begeervermogen niet ledig. De laatste