is toegevoegd aan uw favorieten.

De leer der zielsvermogens

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

herbart en beneke

83

beslissing over waarheid en dwaling matigt zich ten slotte het gevoel aan; in 't bizonder spreekt het nu eens vóór, dan tegen het verstand; dat toch van zijn kant tegen de inmenging van het gevoel in zijn onderzoekingen met nadruk protesteert. De begeerten bedienen zich van het verstand, waar het hun nuttig zijn kan, maar zij verwijten het zijn difficiles nugas, zijn nuttelooze kunsten. Het verstand wil door haar niet gestoord, allerminst verblind worden; doch het moet wijken of toegeven, daar zelfs de rede ze nauwelijks van zich afhouden en de spitsvondige redeneeringen der hartstochten niet verhinderen kan. De aesthetische oordeelskracht strijdt tegen de zinnenlust, en ze verdedigt soms de fantasie tegen het verstand. Maar de rede pleegt haar tegen te spreken en het schoone mèt het leelijke tot den rang van bloote verschijnselen te vernederen". (Werke VI, 217).

Nu wil Herbart niet ontkennen, dat iets dergelijks in ons voorvalt. Alleen, door voor ieder verschijnsel maar weer een vermogen aan te nemen, krijgt de splitsing in het zieleleven de overhand, inplaats dat men verklaring geeft.

En wil men door middel van de vermogens iets verklaren, dan ziet men wonderlijke dingen. Zoo had maass in zijn werk Von den Gefühlen gezegd: „De grootste sterkte heeft een gevoel, onder overigens gelijke omstandigheden, dan, wanneer ze ons nog nieuw en ongewoon zijn".

Daarvan geeft hij deze verklaring:

„Want 1° hoe nieuwer en vreemder een gevoel nog is, zooveel te minder vaardigheid heeft het gevoelvermogen al verkregen, om het op te vatten, en zooveel te meer moet het zich dus daarbij inspannen. Hoe meer dit echter het geval is, zooveel te meer houdt het gevoel ons bezig, en zooveel te sterker is het dus".

Hierop levert Herbart de volgende kritiek: „Moeten we dit woordelijk opvatten, dan is het gevoelvermogen niet juist een vermogen om gevoel voort te brengen, maar om het een of andere, vermoedelijk reeds voorhanden gevoel op te vatten. We willen niet vragen, vanwaar dan dat op te vatten gevoel komen, en hoe het in het gevoelvermogen binnenkomen mag. Slechts het volgende dringt zich op: een vaardigheid maakt haar bezitter geschikter voor zijn werk, en het werk van die vaardigheid wordt door haarzelf grooter en vollediger. Hier echter leeren we een vermogen (namelijk het gevoelvermogen) kennen, dat zijn werk te beter doet, hoe minder vaardigheid het heeft; en welks product (het gevoel) te schraalde: