is toegevoegd aan uw favorieten.

De leer der zielsvermogens

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HERBART EN BENEKE

85

de vennogenszielkunde verwerpende, had hij nog de vermogens kunnen erkennen.

Inderdaad echter moest de vermogensleer dienen als de donkere achtergrond, waartegen zijn eigen „zielkunde als wetenschap" te schitterender uitkwam.

Vragen we nu: heeft HERBART werkelijk de vermogenspsychologie van zijn tijd een geweldigen stoot toegebracht, dan is het antwoord bevestigend. Zijn bestrijding gaf eigenlijk weinig nieuws, maar de energie waarmee hij ze voerde bracht dit te weeg: Ten eerste, dat men zich wel tweemaal bedacht, eer men de vermogens te hulp riep voor causaal-verklaring, ze als oorzaken deed optreden. Ten tweede, dat men het nuttelooze inzag van het veelvuldig gebruik der vermogensterminologie, dat erg veel van een mode weg had. Men zag, dat men de zaken ook op een andere manier kon beschrijven, dat de vermogens in vele gevallen doode namen waren geworden. Zijn eigen opbouw der zielkunde, die ten doel had om uit eenvoudige elementen de totaliteit van het zieleleven te verklaren vond vele aanhangers. En in 't algemeen werd krachtiger het streven: beschrijving der verschijnselen, met een minimum van zielswerkzaamheid. Men werd zich bewust van de ommezwaai, die sinds lang bezig was zich te voltrekken: van de spontaneïteit, het zelf handelen der ziel, naar de mechaniek der bewustzijnsinhouden. De methode der physica die met weinige, eenvoudige gegevens het samengestelde construeert, zou bewust op zielkundig gebied worden toegepast.

We kunnen HERBARTS stelsel niet uitvoerig bespreken,l) maar moeten in verband met ons onderwerp op het volgende wijzen:

De strijd om de vermogens was slechts het uiterlijk symptoom van een diepere botsing van twee richtingen, waarvan men zich feitelijk niet bewust was. Het was de tegenstelling tusschen de organische en de mechanische opvatting van het zieleleven. Deze mechanische opvatting had, zooals we gezien hebben, reeds allerwegen veld gewonnen, waarbij het er weinig op aankwam, of men nog van vermogens sprak of niet We kunnen wel zeggen: HERBART moest toch feitelijk ook een vermogen der ziel aannemen, n.1. dat ze de voorstellingen voortbracht Hij was dus in den grond der zaak ook een vermogenspsycholoog. Maar dan raken we het hart der kwestie niet De eigenlijke tegenstelling

•..')LMen zle: Dr H- Bavinck. Beginselen der Psychologie2 1923. bl. 44 e.v.. bi. 98 e.v.