is toegevoegd aan uw favorieten.

De leer der zielsvermogens

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

122

HET VERMOGENSBEGRIP EN ZIJN PLAATS IN DE ZIELKUNDE

toegevoegd aan iets dat blijvend is. Er is geen scheiding tusschen substantie en accidentie, alleen onderscheiding voor onze beschouwing. Niet op gaat de bewering: de substantie blijft onveranderd, terwijl haar accidentiën wisselen. In het wisselen der accidentiën ligt tegelijk de verandering der substantie, maar in deze veranderingen blijft zij dezelfde. De vraag: wat is nu het blijvende in de veranderingen, zocht, op natuurkundig voorbeeld, naar twee deelen — een blijvend deel en een veranderlijk. De psychische substantie kent geen deelen, en ons zelfbewustzijn leert ons, dat alleen bij het blijvende van verandering sprake kan zijn.

Zóó levert ons zelfbewustzijn ons de basis voor het psychisch substantie-begrip. Niet, dat de psyche in bewustzijn opgaat. Maar ons bewustzijn openbaart ons de ziels-structuur. De ziel is een veel-eenheid in analogie met de eenheid in veelheid, de identiteit in wisseling van ons zelfbewustzijn.

Dus nog eens, ons zelfbewustzijn is niet onze psyche, deze gaat niet in het eerste op. Als het op bewijzen aankomt, bewijst mijn bewustzijn me niet, dat ik al jaren besta en onder alle verandering dezelfde ben gebleven. Dit is een onherleidbare grondovertuiging. Was ik juist op dit oogenblik geschapen, met volkomen denzelfden toestand van ziel en lichaam en dezelfde omstandigheden, dan zou ik evenzeer in mijn verleden gelooven. Het aannemen van zelfstandigheden, van het blijvende is een geloof. Maar is men overtuigd van het bestaan van het blijvende, en is de vraag alleen: hoe is dan het psychisch-blijvende te denken, dan is het antwoord: in overeenstemming met ons zelfbewustzijn, dat ons vertoont een veelheid in eenheid en een wisselen bij identiteit, en de vraag hoe dat kan, dat deze schijnbaar onverzoenlijke tegenstellingen zich vereenigen, is krachteloos gemaakt, omdat we deze veel-eenheid en wisseling van het gelijke in concreto beleven. De vraag deugt trouwens reeds daarom niet, omdat ze niet inziet, dat onze begrippen de werkelijkheid niet in stukken breken, maar naar bepaalde zijden opvatten en onderscheiden.

Op deze wijze behoeven we bet psychische substante-begrip niet te bepalen door analogie met het stoffelijke, maar door analogie met het bewustzijn. De ziel is niet een atoom maar een pleroom. Ze is een veelheid, zonder dat ze in deelen uiteenvalt, ze vertoont toestanden van min of meer blijvenden aard en daarin openbaren zich doorgaande