is toegevoegd aan uw favorieten.

De leer der zielsvermogens

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

124

HET VERMOGENSBEGRIP EN ZIJN PLAATS IN DE ZIELKUNDE

Het is nu even verleidelijk als waardeloos en waardeverduisterend overal, waar men genoopt is een immaterieel principe aan te nemen, dit als principieel met andere op één lijn te stellen. Verleidelijk, van wege de ingewortelde eenheidstrek en het voorbeeld o.a. van de chemie, die de veelheid der elementen tot eenheid tracht te reduceeren. Maar onnut en onjuist hierom.

De zuivere materie is het terrein van het quantitatieve, er is accumulatie van werkingen, er is een constellatie van het oogenblik, die steeds volgens vaste wetten uit de constellatie van een vorig oogenblik opkomt Het is hier dus een voordeel, wanneer men de elementen dier constellatie zoo eenvoudig en gelijkvormig mogelijk kan bepalen. Doch juist het ontoereikende van deze resultante-vorming der elementen doet ons reeds bij de levende cel omzien naar een ander principe, dat van een bloote „som" een „geheel" maakt. Nu is een geheel steeds een qualitatieve eenheid, méér dan een som van deelen. Twee krachten kunnen samenwerkend vormen één kracht, maar twee geheelen vormen nog niet een nieuw geheel. Een enkele versregel kan een geheel zijn, doch door samenvoeging zulker regels krijgt men nog geen gedicht Juist dus, waar men genoopt is „geheelen" aan te nemen, moet men deze in hun eigensoortige waarde laten, ook al zouden ze gedeeltelijk dezelfde karaktertrekken vertoonen. Een analogie. „Bewondering voor iemand gevoelen" en „ontzag voor iemand gevoelen" zijn qualitatief verschillende toestanden, die nooit uit elkaar zijn af te leiden, hoewel er gelijksoortige elementen in voorkomen, en beide gevoelstoestanden in aard „verwant" zijn.*)

Wanneer men nu bij planten, dieren en menschen aanneemt immateriëele beginselen, dan mogen dezen in verschillende graden verwantschap vertoonen, hun onderscheid dient daarom toch evenzeer gehandhaafd te blijven. Doet men dit niet, dan vergeet men juist uit welke noodzaak men er toe gekomen is, beginselen aan te nemen, die uit een onverschillige som van deelen een werkelijk geheel met eigen karakter vormen. Men zou dan weer tot een uiterlijke samenvoeging komen, en b.v. van de menschelijke ziel een dierenziel maken plus nog enkele eigenschappen. Integendeel is voor iedere soort levensbeginselen een eigen aard aan te nemen in overeenstemming met hetgeen ons over den dienst dier levens-

') Vergel. de handhaving van het qualitatieve bij R. Otto, Das Heilige5, 1920. S. 53 ff.