is toegevoegd aan uw favorieten.

De leer der zielsvermogens

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AANGAANDE HET ZIELSBEGRIP

125

beginselen bekend is. Wel is er verwantschap, maar geen wezensgelijkheid.

Wat nu met name het onderscheid tusschen den levensgrond in dier en mensch betreft: we staan hier voor vele en moeilijke vragen. Maar voor zooveel ons in natuur en Schrift is geopenbaard, is duidelijk het onderscheid in aard te handhaven, in overeenstemming met het verschil in functie en bestemming. De dierenpsyche is dienstbaar aan het lichaam en aan de instandhouding der soort; wat daarbij nog aan bewustzijn mag voorkomen, is hulpmiddel en komt niet tot zelfstandige waarde. Bij den mensch is niet slechts een méér, maar ook een andere verhouding: lichaam en leven staan in dienst van den geest; wat bij het dier hoofdzaak was, is bij den mensch hulpmiddel, en omgekeerd. Wel is er overeenstemming, want ook het lichaam behoort bij den mensch, en de dood blijft abnormaal. Maar het dier is volkomen op zijn plaats in de wereld der zienlijke dingen, de mensch heeft deel aan het rijk der ideeën en normen gesteld door den Onzienlijke.

Op deze en meer gronden is het diepingrijpend qualitatief verschil tusschen menschen- en dierenpsyche te handhaven. Hoe dit nader te denken is, valt moeilijk te zeggen. We kwamen door analogie tot een onstoffelijk substantie-begrip. We namen daarin niet op het kenmerk der onvergankelijkheid. Het is natuurlijk mogelijk in een begrip ook dit kenmerk op te nemen, maar de vraag is of de werkelijkheid hieraan beantwoordt. 0 Het empirisch gegevene kan nu op dit punt niets beslissen. Redelijk schijnt het aan te nemen, dat de dierenpsyche bij den dood haar dienst heeft vervuld, geen reden meer heeft van bestaan, te niet gaat. Dat daarentegen de menschelijke ziel hooger bestemming heeft, bij den dood slechts in haar normale functie-wijze wordt gestoord, wacht op hereeniging met een lichaam. flfv ;t

Zoo komen we vanzelf tot een tweede opmerking. Bij de bespreking van een ziel als substantie hebben we meer getracht de bezwaren, daartegen aangevoerd, te weerleggen, dat het bestaan er van te bewijzen. Hoeveel redelijke gronden ook zijn aan te voeren

') Wel is waar heeft men steeds in de substantie gezocht het „blijvende", maar daarmee nooit bewezen, dat het absoluut blijvende bestaat, en b.v. de stof is. Trouwens, met zulk een dood absoluut bestaan is geen wereld mogelijk, zelfs niet plus de energie. Heeft deze haar gelijkmatige verdeeling (maximum van'entropie) bereikt — en waarom is dit niet reeds lang het geval? — dan mag er nog zooveel bestaan, er gebeurt niets.