is toegevoegd aan uw favorieten.

De leer der zielsvermogens

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

136

HET VERMOGENSBEGRIP EN ZIJN PLAATS IN DE ZIELKUNDE

Wel werden nu steeds in de vermogenspsychologie de ervaringsinvloeden erkend en ook het samengesteld karakter dat deze „vermogens" bezaten. Maar dit geschiedde dan steeds op zulk een wijze, dat aan ieder vermogen afzonderlijk een organanisatie werd toegekend, die in aanleg voorhanden was, en zich langzamerhand ontwikkelde. Men sprak dan van oefening en ontwikkeling der vermogens, van neigingen en habitus, die ze bezaten of verwierven. „Door de opvoeding worden aan de vermogens (potentiae) duurzame hebbelijkheden (vaardigheden, geschiktheden, geneigdheden, habitus) tot bepaalde handelingen ingeprent."*) Doch zoodoende schreef men aan de vermogens toe, wat rechtens alleen aan de ziel toe te schrijven is, en maakte de „vermogens" tot organen.

En dit klemde te meer, daar wat men aldus tot organen maakte, allerminst een organische eenheid vormde. Bij het kenvermogen b.v. behandelde men de intellectueele inhouden en functies. Maar ten eerste komen deze nooit met elkaar tot eenheid verbonden voor, maar steeds in zulke verbanden, waarin ook gevoels- en streefelementen voorkomen. Let men ten tweede er op, dat het kenvermogen het vermogen is tot kennen, dan is op te merken, dat dit kennen nooit tot stand zou komen, indien er niet ook minstens een streven daartoe meewerkte. Als grond van het kennen zou dus ook mee het streven worden bepaald, en dit zou voor een deel in het kenvermogen komen. Ten derde komen er veel intellectueele elementen voor in zulke verbanden, waarin het kennen een zeer ondergeschikte rol speelt Want volgens de scholastieke formule is het kenvermogen op de waarheid der dingen als op zijn formeel object gericht Men zal dit echter moeilijk kunnen beweren van b.v. het „dagdroomen", dat toch een „werking" mag heeten der verbeelding, een afdeeling van het kenvermogen.

Al deze onzuiverheden komen hieruit voort, dat men verworven vaardigheden, die in hun samengesteldheden moeten onderzocht worden, tot zelfstandige vermogens maakt. Men haalt door elkaar het zuivere vermogens- en het ontwikkelingselement. In de feiten toch van het zieleleven is een fundamenteele onderscheiding te maken. Er zijn elementen en functies in, die om zoo te zeggen steeds onveranderd voorkomen. Het onderscheiden van het kind, dat zich voor het eerst het verschil tusschen twee en drie bewust

') Dr H. Bavinck. Beginselen der Psychologie.2 bl. 54.