is toegevoegd aan uw favorieten.

De leer der zielsvermogens

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERMOGENSLEER EN VERMOGENSZIELKUNDE

141

afhoudt van verkeerde probleemstellingen op empirisch gebied, en het experiment in de juiste richting kan leiden.!) Dit alles, wanneer de drang naar empirisch onderzoek aanwezig is. De vermogenszielkunde schijnt evenwel niet bij uitstek dien drang aan te moedigen. Ze neemt wel het empirisch materiaal, dat aanwezig is op, maar alles om het in het eenmaal aanwezige schema in te lijven. De moeilijkheden, die de verschijnselen vertoonen, worden verschoven naar de vermogens en een personificeerende beschrijving verklaart alles. *) Heel ingewikkelde vragen van genetischen aard loste men op door de algemeene formule: ontwikkeling en oefening der vermogens. Hiervan een voorbeeld.

Het is van ouds bekend, dat iemand, die veel uit het hoofd leert, dit tenslotte gemakkelijker en vlugger kan doen. De verklaring hiervan was in de vermogenspsychologie heel eenvoudig. Het geheugen immers van den mensch werd door gebruik geoefend, en daarom ging het hoe langer hoe beter. Hoe hier weer van 't vermogen orgaan werd gemaakt laten we terzijde, maar in ieder geval is hier geen sprake van activiteit der ziel: het bloote feit van het gebruiken bracht de oefening en haar resultaten. Tevens is deze „verklaring" geschikt een menigte van finesses te bedekken, en van nader onderzoek af te houden.

De associatie-psychologie verviel nu in een ander uiterste: Het resultaat der oefening zou daaruit te verklaren zijn, dat dezelfde of soortgelijke associaties telkens weer komen, en dus, als reeds bekend, niet meer behoefden geleerd te worden. Hieruit zou dus volgen, dat wie getallen memoriseerde, gemakkelijker getallen, wie verzen leerde gemakkelijker verzen, wie muzieknoten gemakkelijker deze zou leeren beheerschen. Hiertegenover werd met behulp van uitvoerige proeven door Ebert en Meumann aangetoond, dat het memoriseeren van z.g.n. zinlooze stof een oefeningsresultaat gaf dat zich niet alleen uitstrekte over deze verrichting zelf, maar ook op het memoriseeren van proza-stukken, en van rijen figuren.8) Hier had een oefening plaats van het geheele „vermogen". Alleen — niet in de vage onbepaaldheid van vroeger: die stof ondervond het meeste nut van de oefening, die met het oefeningsmateriaal de meeste verwantschap

') Iedere theorie oefent invloed bij de selectie van het feitenmateriaal. De veelheid der theorieën behoedt voor eenzijdigheid.

2) Vergel. Cl. BSumker, wanneer hij de analyse van Witelo stelt tegenover het schematisme van Thomas. (Witelo S. 624).

3) Zie: Archiv. f. d. Ges. Psych. IV, S. 1 ff. Intusschen staat de omvang van deze mede-oefening nog niet vast