is toegevoegd aan uw favorieten.

De leer der zielsvermogens

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE VERMOGENSLEER EN DE HEILIGE SCHRIFT

165

van functies met een bepaalde taak, het begeervermogen idem met een andere taak. Onze opvatting aangaande die vermogens was nu deze, dat de verschillende functies ongetwijfeld bestaan en hun grond hebben in de ziel, maar dat ze onmogelijk tot sluitende groepen in bovengenoemden zin te vereenigen zijn, en dat in de historisch ontstaande zielsformaties de functies op een eigenaardige wijze zijn verbonden, waarvan een zuivere vermogenszielkunde geen rekenschap kan geven. Als iemand reageert op de tijding van een belangrijke gebeurtenis, kan deze reactie niet worden verklaard uit een samenwerking van oorspronkelijke functies, tenzij dan in verband met een geheel bizondere, in den loop van het leven geworden zielsgesteldheid. Wil de vermogenszielkunde hieraan recht doen, dan moet ze komen tot een zelfstandig stellen der vermogens, als organen of iets dergelijks — gelijk dan ook ruimschoots heeft plaats gehad. Vergelijkt men nu met zulke gehypostaseerde vermogens de gegevens der H. Schrift, dan is er in de eerste plaats veel te vinden, dat hiermee schijnt overeen te stemmen. Men kan aan Dr. LOS *) toegeven, dat de Schrift in de behandeling van het rijke zieleleven trekken van overeenkomst vertoont met de beschrijvende methode der psychologie. Evenwel toont het geheele werk van dezen schrijver aan, dat nooit de psychische verschijnselen opzichzelf worden beschouwd, meestal ook niet in betrekking tot den geheelen mensch, maar dat ze bijna steeds worden betrokken op bepaalde entiteiten: „deelen" of „organen" of „vermogens" of hoe ze dan ook zijn op te vatten.

Daar is het hart. Het hart is „het terrein van gewaarwordingen" (a. w. bl. 26), de gevoelstoon der gewaarwording wordt er aan toegekend, (t. z. p.) het is ook het voorstellende bewustzijn, en wel het receptieve (a. w. bl. 27), het onderbewuste denken wordt er mee aangeduid (t. z. p.), het is de zetel van het geweten (a. w. bl. 29). Daar is verder de ziel, de geest als pneuma en nous. Aan alle deze worden werkingen en toestanden toegeschreven. Wat aangaande deze begrippen te denken? Dat ze niet als „deelen" zijn op te vatten, staat buiten twijfel. Maar als vermogens dan? En zijn hierin de traditioneele vermogens weer te vinden?

Om deze vragen te kunnen beantwoorden, dienen we te letten op wat Prof. BAVINCK zegt op bl. 24 van zijn Bijbelsche Psychologie:

') Dr. S. O. Los. Het gevoel in de H. Schrift 1922. bl. 211.