is toegevoegd aan uw favorieten.

De leer der zielsvermogens

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PEDAGOGIEK ZONDER VERMOGENS

179

tuigd, dat men het eigenlijke hardende beginsel voor den mensch — die niet enkel lichaam is — niet eer zal vinden, voor men een levenswijze voor de jeugd zal leeren inrichten, waarbij zij naar eigene, en wel naar eigene juiste (richtige) neiging, een in haar oogen ernstige werkzaamheid kan verrichten" (a.w. 135). Hij. noemt dan enkele dingen, die niet voldoen: „want daaraan ontbreekt veeltijds het eerste vereischte voor een karaktervormend handelen: ze gebeuren niet uit eigen neiging, ze zijn niet die daad, waardoor het inwendige begeeren zich tot wil vastzet" (t.z.p.).

Hoe men nu tot zulk een „inrichting" kan komen, verklaart Herbart niet te weten; had hij het maar aan MONTESSORl kunnen vragen! Evenwel blijkt, dat ondanks zijn theorie, die den leerling tot passiviteit veroordeelt, hij praktisch het recht van de activiteit niet ontkent Het willen leert men volgens hem door handelen, alleen maar in welke richting men zal willen, wordt bepaald door den voorstellingskring.

Er is meer van herbart te noemen, waaruit blijkt, dat hij boven zijn sensualisme uitging. Uitnemend zag hij in het verschil, dat er bestaat tusschen verschillende personen volgens hun aanleg — we zagen hem straks reeds spreken van onderscheidene talenten. Hij roemt de waarde van „het pedagogische gezichtspunt, volgens welk uit ieder het beste worden moet, dat uit hem worden kan", hij neemt voortdurend de individualiteiten ter harte, ja munt zelfs uit in de beschrijving van verschillende typen, met het oog daarop, wat de opvoeding uit hen kan maken. Telkens heeft hij het over bepaalde soorten „Köpfe". Wel moet hij, in verband met zijn theorie, hiervan een verklaring geven, waarbij de lichamelijke verschillen als oorzaak worden beschouwd, maar in ieder geval is hiermee de macht gebroken van datgene, wat van buiten tot den mensch komt, en is het feit van zijn eigen reactie erkend. Een voorbeeld: „Wat nu de aanleg betreft: met voorbijzien van buitengewone gevallen bestaat het voornaamste onderscheid volstrekt niet in datgene, waartoe de mensch neiging en gemakkelijkheid toont, maar veelmeer in een formeele bizonderheid, welke bij de individuen in graad verschilt: namelijk daarin of hun gemoedstoestand gemakkelijker of moeilijker wisselt. De moeilijk-beweeglijken, wanneer ze daarbij een helder verstand bezitten, hebben den voortreffelijksten aanleg; alleen, ze hebben een zeer zorgvuldig onderwijs noodig. De gemakkelijk-beweeglijken zijn gemakkelijker te onderwijzen, ja ze

Zielsvermogens *