is toegevoegd aan uw favorieten.

Overzicht van de internationaalrechtelijke betrekkingen van Nederlandsch-Indië (1850-1922)

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

118

POLITIE.

Gevallen No. 298 en 299.

GEVAL No. 298.

1889/90. o. Aan den Duitschen Consul te Batavia werd op diens verzoek om uitlevering van een van bedriegelijke bankbreuk verdacht persoon medegedeeld, dat uitlevering alleen kon plaats hebben, indien zij overeenkomstig art. 8 der Lïïtleveringsordonnantie langs diplomatieker, weg werd aangevraagd, onder overlegging der in art. 11 genoemde stukken.

6. Aan een door consulaire tusschenkomst ontvangen verzoek om uitlevering van een uit Portugeesch-Timor gedeserteerden Afrikaanschen militair, kon niet worden voldaan, aangezien de Ind. Regeering van oordeel was, dat de betrokken Ordonnantie die uitlevering niet toeliet.

c. Het Serawaksch Bestuur leverde ons uit een zich in dat gebied nog schuil houdende hoofdschuldige aan de in 1884 in de residentie Westerafd. van Borneo uitgebroken opstand onder de Mandhar-Chineezen.

Ad o wordt opgemerkt, dat de beslissing volkomen juist was, verondersteld dat de aanvraag hier niet van het Bestuur van een der Aziatische, Australische of Afrikaansche gebiedsdeelen van Duitschland, doch, van het moederland was uitgegaan, hetgeen uit de bewoordingen intusschen niet blijkt, doch wel waarschijnlijk is.

Ad b kan weder gewezen worden op de consulaire tusschenkomst waarvan ook het Portugeesche koloniale Bestuur zich bedient. Wat was echter het beletsel, om onzerzijds aan dit verzoek te voldoen? Men is geneigd in de eerste plaats in het strafbaar feit de oorzaak te zoeken. Inderdaad is desertie niet opgenoemd onder de delicten, waarvoor wordt uitgeleverd en houd ik het er voor, dat dit de grond der weigering is geweest. Men merke dan echter tevens op, dat de Ind. Regeering in 1882 (geval No. 288) wel uitlevering van deserteurs aan het Straitsbestuur vroeg en verkreeg; en evenzoo in 1885/86 (geval No. 294), toen N. B. onze nationale regeling zoodanige uitlevering verbood, en dus een beroep van den overwal op de reciprociteit eventueel door ons zou moeten worden afgewezen met eene referte aan I. S. 1883 : 188. Vóór de regeling van '83 leverden wjj wel degelijk deserteurs uit, zie geval No. 288.

Ad c. Evenmin als in de gevallen a en b was hier eene internationale regeling aanwezig.

Kol. Versl. 1890, bl. 55.

GEVAL No. 299.

1890. De gewone uitleveringen hadden tusschen het Ned. Ind. en het Straitsbestuur plaats, waarbh' onze consulaire ambtenaren te Singapore en Penang tusschenkomst verleenden. Van een verzoek om uitlevering van een persoon, verdacht van