is toegevoegd aan uw favorieten.

Overzicht van de internationaalrechtelijke betrekkingen van Nederlandsch-Indië (1850-1922)

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

151

A. EENZIJDIGE REGELING.

Gevallen No. 370, 371 en 372.

misdadigers werden afgewezen omdat de noodige bewijsstukken niet waren overgelegd.

In 1895 (I. S. 1895 : 62) werd de Uitleveringsordonnantie in overeenstemming gebracht met de nieuwe omschrijving van het begrip „Nederlander"' in de Ned. wet op het Nederlanderschap en ingezetenschap van 1892.

Met het oog op het Uitleveringsverdrag met Groot-Britannië van 1898 en op de in de Straits-Settlements op dit stuk geldende bepalingen werd ingevolge Gouvernementscirculaires van 17 Augustus en 1 September 1899 gebroken met de tot dusverre in vele gevallen gevolgde gewoonte, dat onze bestuursambtenaren aanvragen om uitlevering rechtstreeks tot het Bestuur van die Britsche gebiedsdeelen richten. Thans werd voorgeschreven, dat die aanvragen alleen door tusschenkomst van den Gouv. Gen. kunnen worden gedaan. Verzoeken om voorloopige aanhouding zouden echter in spoedeischende gevallen door de Gewestelijke Bestuurders kunnen worden gericht aan onze consulaire vertegenwoordigers te Singapore en Penang, aan wie dan ook de benoodigde stukken moesten worden toegezonden.

Kol. Versl. 1882, bl. 57; 1883, bl. 56; 1884, bl. 56; 1885, bl. 55; 1889, bl. 2; 1894, bl. 63; 1895, bl. 82; 1900, bl. 72; 1918, kol. 65.

GEVAL No. 371.

Bh' ordonnantie van 8 October 1886 I. S. 179 werd het debiteeren in Ned. Indië van loten of aandeden in elders aangelegde geldloterijen (de Ned. Staatsloterij uitgezonderd) verboden. Bh' I. S. 1888 : 126 werd deze ordonnantie v.z.n. koninklijk goedgekeurd. Kol. Versl. 1886, bl. 208.

GEVAL No. 372.

1886. De Regeering werd voor de vraag gesteld, of, terwijl het doorgaand voeren van de vlag van hun land aan de in Ned. Indië vertoevende consuls niet is geoorloofd, hun de ontplooiing daarvan ook zou moeten worden belet op nationale feestdagen, dus alleen bij wijze van feestelijke vertooning. Aan de plaatselijke autoriteiten werd te kennen gegeven, dat in dergelijke bijzondere gevallen de consulaire ambtenaren hunne eigen vlag mochten uitsteken.

Het schjjnt dat onder „Regeering" moet worden verstaan die van Ned. Indië. Is die veronderstelling juist dan heeft men hier te maken met eene internationaalrechteljjke regeling, eenzijdig door een nationaal orgaan, den Gouverneur Generaal, gemaakt en waar bij zich de andere partij blijkbaar heeft nedergelegd. Kol. Versl. 1886, bl. 1.