is toegevoegd aan uw favorieten.

Het boek der duizend vragen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3i

Dit typische refrein, dat als de plechtige weergalm klinkt van gewijd reciet, leeft voort, hetzij vertaald of onvertaald, in alle recensies; nog Maleische handschriften kennen dit Arabische .j-Sju». Ook dit motief gaat op de Traditie terug: het is het gewone antwoord van Djibrïl die, in menschengedaante, den Profeet eene reeks vragen stelt over den Islam ').

Als zelfstandig werk wordt het „Boek der Duizend Vragen" voor het eerst vermeld in het jaar 963 na Christus. De bewerker van den Perzischen Tabari, Abn cAlI Muhammad al Balcamla), Vizier van den Samanide Mansür ibn Nnh, deelt mede, dat er een werk bestaat getiteld Mesaïl, hetwelk tot auteur heeft cAbd Allah ibn Salam, een geleerden Jood, die de oude Schriften gelezen had, de overleveringen kende en daaruit moeilijke vragen getrokken had om die den Profeet voor te leggen; „toen onze Profeet op die vragen geantwoord had, begreep cAbd Allah, dat hij met een Profeet te doen had, hij geloofde in hem, en werd Moslim". Eén van die vragen was deze: welke is de plek, die de zon éénmaal getroffen heeft met hare stralen, en die zij niet meer zien zal tot den Dag der Opstanding? De Profeet antwoordde: De bodem der zee, die Mozes sloeg met zijn' staf, en welker water zich verhief in de lucht3).

Er is geen twijfel mogelijk, of met dezen Kitab al Masail*) is het „Boek der Duizend Vragen" bedoeld. Niet alleen is de omschrijving van den opzet in hoofdzaak juist, maar de vraag over de plek op aarde waar de zon slechts éénmaal geschenen heeft, komt in het „Boek der Duizend Vragen" voor6). Nu vervaardigde Al Baleamï zijne Tabaribewerking in 963°); vóór dat jaar moet dus het „Boek der Duizend Vragen" reeds hebben bestaan. Bij dezen hoogen ouderdom van onzen tekst moeten wij de mogelijkheid openlaten, dat hij

1) Muslim, Kit. al Iman, B. 7.

2) Zie over hem en zijne beteekenis W. Barthold in „Enzyklopaedie des Islam" s. v. Bafamï, Bd. I, S. 638 f..

3) Chronique de Tabari, I 348. — Vgl. voor de herkomst dezer vraag: Sprenger, Mohammad Bd. III S. lxxxi.

4) Uit het register op de Chronique de Tabari, IV 580, blijkt, dat aldus de titel was. 5) Zie hierachter, Mal. Tekst, blz. 00 vlgg..

6) Ethé in Grundrist der Ironische* Philologie, Strassb. 1896—1904, Bd. II, S. 355; Barthold, a. a. O., S. 639.