is toegevoegd aan uw favorieten.

De autonomie van partijen in het internationaal privaatrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

50

nologie te moeten handhaven1). Hier is niets op tegen, te minder waar het een begrip geldt dat in het nationaal burgerlijk recht ook veel gebruikt wordt. Hierin echter schuilt juist een groot gevaar dat o.i. veel tot verwarring aanleiding gegeven heeft. Bestudeert men de artt. 1374 en vlg. van ons B. W., dan ziet men dat partüen zich zeiven eene eigene wet kunnen stellen. Dit geldt echter alleen voor het jus cUspositivurm, terwü1 'bet aan partüen voor de obligatoire wetten niet toegestaan is. In zooverre kan men dus in het nationale recht volkomen juist spreken van eene wilsautonomie. Partüen creëeren willekeurige eigen voorwaarden voor de rechtshandeling, kunnen vrü, vorm en sanctie er voor vaststellen. Volkomen ditzelfde nu kan zich ook voordoen in het internationaal privaatrecht. Doch het is ook mogelük dat de kwestie hier een geheel ander uiterlijk krügt, waardoor vanzelf dan ook de wilsautonomie een geheel ander aspect vertoonen zal. Komt er internationaalprivaatrechtelijk eene rechtshandeling tot stand, dan kunnen zich, met betrekking tot onze kwestie, drie casusposities voordoen. Of wel de in conflict komende wetgevingen hebben ten aanzien der rechtshandeling facultatieve wetten. Of wel ze hebben ten aanzien der rechtshandeling obligatoire regelingen. Of wel de eene wetgeving heeft uit büzondere overwegingen een obligatoire wet, terwül de andere slechts een facultatieve regeling bezit. In het eerste geval baart de kwestie der autonomie geene moeilijkheden. Partijen kunnen zoowel de eene als de andere wet of ook eene willekeurige régeling kiezen. In het tweede geval verandert de kwestie en met haar de casuspositie geheel en al. Partüen staan hier met hunne rechtshandeling tusschen twee wetgevingen die elk de zaak obligatoir geregeld hebben. In dit geval, conclu-

') Pillet, loc. cit., pag. 430.