is toegevoegd aan uw favorieten.

Het adatrecht van Bali

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

110

Evenmin als de heffingen in geld of in natura, drukken de diensten gelijk op alle désabewoners. Aanvankelijk heeft het grondbezit de basis gevormd voor heffingen en diensten; in de oudere désa waren dus de krama désa de voldienstpliehtigen; zij hadden het recht hunne familieleden, die zij in de désa vertegenwoordigden, tot medewerking bij de vervulling van hunne verplichtingen aan de désa op te roepen1). Dat „het grondbezit de basis was van elke dienstregeling" meent Liefrinck aldus te kunnen verklaren: „de désagemeenschap heeft de beschikking over al den grond op het gebied der désa, billijk is het dus, dat een ieder, die zijn levensonderhoud krijgt van dien grond, een deel op zich neemt van de verplichtingen, welke aan die gemeenschap zijn opgelegd, hetgeen in ongeveer dezelfde bewoordingen te lezen staat, o. a. in het dorpsreglement van Panglatan. Een dergelijk geschrift van de désa Tenaon stelt zelfs de verschillende mate van dienstplichtigheid volgenderwijze vast, dat voor een sawah een vol aandeel, voor een tuin en ook voor een tegalveld met aangrenzenden boschgrond een half aandeel, voor een erf een kwart aandeel in de désadiensten verricht moet worden". Moet men daaruit dan echter niet opmaken, dat de désa de sawah's ook nog steeds tot haar grondenareaal rekende en daaraan het recht ontleende van de houders van meerwaardigen grond ook meer diensten te vorderen dan van degenen, die in dat opzicht in minder gunstige omstandigheden verkeerden?2). Nog een andere vraag valt bij bovenstaand relaas van Liefrinck te stellen. In Middel-Java hing de mate van dienstplicht uitsluitend af van de plaats, die ieder dorpsbewoner in de désa innam: bejaarde kerndorpers waren beperkt, gewone kerndorpers voldienstplichtig; jonggehuwden en nieuwelingen, aanvankelijk door geen dienstplicht gedrukt, werden geleidelijk voldienstplichtig, waarnaast men ten slotte nog had de lediggangers (anggoeren, zie bij Individuen).

„De zegswijze, dat de dorpsdienst (in Middel-Java) rust op den grond, is dus juist in dezer voege, dat de dorpsdienst rust op de kerndorpers, die gewoonlijk de eenige duurzame grondbezitters zijn; doch dat de zwaarte van den dorpsdienst zou hebben afgehangen van de grootte van het grondbezit van een kerndorper blijkt niet""). . . .

Dit laatste zou nu juist op Bali volgens Liefrinck wel het geval zijn en de gegevens die ter beschikking staan om de juistheid van deze bewering te controleeren, bevatten wel aanwijzingen, dat deze schrijver goed gezien heeft en dat het reglement van désa Tenaon niet het eenige is, dat een bepaalde verhouding aangeeft voor den dienstplicht en de beteekenis van het grondbezit. Zoo bevat het désareglement van Batoedinding terzake eenige voorschriften, die

*) Liefrinck Bali blz. 284.

») Liefrinck Bali blz. 301—302.

•) Van Vollenhoven Adatrecht blz. 589.