is toegevoegd aan uw favorieten.

Het adatrecht van Bali

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

147

De grondslag van den soebakdienstplicht bestaat uit het watergebruik uit de gemeenschappelijke leiding. „Een ieder nu die een even groot aandeel water krijgt (jèh atektek) waarvan de grootte van uitstrooming aan de hoofd-tamoekoe wordt bepaald is in dezelfde mate dienstplichtig"1). Het gevolg hiervan is, dat wanneer een sawahoppervlak dat één tektek water vereischt, verdodd wordt tusschen meer personen, ook de dienstplicht in ev'enzoovele deelen gesplitst wordt en de nieuwe rechthebbenden dus voor de nakoming van dien plicht, eene regeling hebben to treffen. Omgekeerd wanneer eenige sawahvakken, welke ieder een tektek water noodig hebben, in één hand komen, zal de nieuwe bezitter evenzoovele dienstplichtaandeelen te vervullen krijgen en dus in den regel zijne toevlucht tot afkoop of plaatsvervanger moeten nemen 2).

De toestand van de waterwerken in een soebak, kan wel van dien aard zijn, dat het overbodig is, ten behoeve van onderhoud of herstel voor alle dienstplichtige aandeden, iemand te doen opkomen. Dan gaat men over tot het zooevengenoemde „tgakan-stelstel, waarbij eene groep van sawahs, dus ook eene groep van zeker aantal deelen water" (tgakan) als eenheid van dienstplichtigheid wordt aangemerkt en waarvoor bij eiken gemeenschappelijken arbeid dus een persoon moet opkomen. Is de bijeenvoeging beperkt gebleven tot twee wateraandeelen, waarvoor dus één dienstplichtaandeel vervuld moet worden, dan laat men de soebakleden zich vru twee aan twee associeeren om eene schikking ten opzichte van de vervulling van dien plicht te treffen, doch in grootere tgakans wordt eene soort van beurtlijst aangehouden, op bamboe of lontar Pu uVWaar0p de namen der Personen, die voor de wateraandeelen hebben op te komen in een bepaalde volgorde gerangschikt zijn; de houder van deze oerak is aan de beurt om uit te komen bij het eerstvolgend gemeenschappelijk werk in de soebak; heeft hij die beurt vervuld, dan doet hij de oerak toekomen aan den volgenden op de lijst voorkomenden persoon 3).

Liefrinck deelt verder mede, dat, ingeval de soebak van geringe mtgestrektheid is, doch het water slechts door zware soebakdiensten kan worden verkregen, alle grondbezitters, onafhankelijk van de door hen benoodigde waterhoeveelheid, vol dienstplichtig zijn waarbij dan vaak de bepaling wordt gemaakt, „dat niemand voor meer dan een zeker aantal sawahs met zijn persoon kan opkomen" en dat zoo hij dit maximum overschrijdt, hij daarvoor een of meer vervangers te steUen heeft. Dit stelsel zou roedjak boni heeten, welke term overeenkomt met het Javaansche roedjak woeni waarmee een gelijke heffing van alle koeli-aandeelen in de désa, ongeacht de geaardheid der gronden, wordt aangeduid *>.

*) Liefrinck rijstcultuur, 1886, blz. 1213.

*) Liefrinck rijstcultuur, 1886, blz. 1214—1215.

*) Zie uitvoeriger: Liefrinck rijstcultuur, 1886, blz. 1214.

') Liefrinck rijstcultuur, 1886, blz. 1217.