is toegevoegd aan uw favorieten.

Het adatrecht van Bali

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

158

Kloengkoeng zou evenals Bangli, wat het soebakwezen betreft, in vele opzichten op Gijanjar gelijken. Veel gegevens staan overigens over het rijk van den Déwa-agoeng niet ter beschikking; het regiementje, dat ons in handen kwam, is onbeteekenend en blijkens westersche termen na den val van den oppervorst vervaardigd. In tegenstelling met Bangli, dat de waterwerken had aan te brengen in den bovenloop der rivieren, had Kloengkoeng juist met de benedenstroomsche deelen te doen; De damwerken in één rivier bevloeien ef één pengloerahan, vandaar dat de namen dier gebieden dan ook overeenkomen met die der rivieren. Toja Tjaoe, Toja Badjing, Toja Sampalan, Toja Boeboeh en Toja Djinah zijn de namen der vijf pengloerahans (toja = water). De pengloerahans zijn onderverdeeld in soebaks en deze in tèmpèkans. Of in de tèmpèkans ook vereenigingen bestonden, valt niet te zeggen, wel waren er soebakvereenigingen, aan het hoofd waarvan een klijang soebak, aan wien de klijangs tèmpèk ondergeschikt waren. Welk gebied de tèmpèks omvatten, valt evenmin te zeggen, waarschijnlijk een secundair bevloeiingsvak *).

Er bestaat in Kloengkoeng eene ngohotregeling, volgens welke ieder üd voor één tenah een gratis verstrekkingsgemiddelde van een tektek krijgt, terwijl voor iedere tenah meer moet worden bijgedragen.

De pekasih ontvangt bij de verdeeling van het nettosaldo van de vereenigingskas, waarin afkoopgelden, boeten, bijdragen enz. vloeien, 2/10 deel (pendit). Hu' is daartegenover gehouden tot het geven van een feestje2). Brahmanen en satrija dalem namen vroeger aan de soebakfeesten deel op kosten van den kleinen man8).

Er zijn in Kloengkoeng slechts 48 soebaks met eene gemiddelde grootte van 100 bouws4).

Eenerzijds neemt Gijanjar in de litteratuur betreffende de waterschapsbesturen eene eereplaats in, anderzijds is er geene streek van Bali, waarover zoo luid klachten hebben weerklonken als juist over dit voormalig rijkje.

„Van pudsher is het soebakwezen in Gijanjar zoowel technisch als administratief meer ontwikkeld dan elders in Zuid-Bali", verklaart Groothoff5) en ook Happé die voornamelijk Gijanjarsche toestanden beschrijft, verklaart dat „het bevloeiingswezen zich

aldaar het meest ontwikkeld heeft"8). Beide schrijvers

schijnen eenigszins van meening te verschillen aangaande de beteekenis der pengloerahans, d.z. de groote damgebieden, aan het

*) Adatrb., XV, blz. 34, alwaar de sa ja schrijver genoemd wordt.

2) Adatrb., XV, blz. 37.

») Adatrb., XV, blz. 66.

«) Adatrb., XV, blz. 330.

•) Adatrb., XV, blz. 323.

') Happé in Adatrb., XV, blz. 40.