is toegevoegd aan uw favorieten.

Het adatrecht van Bali

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

170

kend geweest te zijn, doch minder gebruikelijk. Zijne taak bestond uitsluitend in het innen der bijdragen voor tempels en waterwerken en regeling van de waterverdeeling. Bijstand verleenen bij het innen van de padjeg deed hij niet. Hij had echter boven zich een sedahan tjenik (d.i. kleinsedahan), soms kortweg sedahan genoemd, die evenals de sedahan temboekoe in Boelèlèng zich ook inliet met bevloeiingsaangelegenheden en o.a. bepaalde, wanneer met de sawahbewerking moest worden aangevangen. In het district Blajoe had men per soebak 2 klijangs soebak, die elkaar afwisselden, doch vond men in overig Mengwi als helper van den klijang soebak een pengliman, in Blajoe werd deze weer gemist.

Ook in Mengwi mocht men den dienstplicht over de eerste tektek water niet afkoopen, en betaalde men voor elke volgende tektek een pengohot*) van 35 kati padi per jaar, welke ten goede kwamen aan de tjèlèngan soebak en aan het eind van het jaar na aftrek van kosten voor offerfeesten verdeeld werden onder de leden der sekaha empelan, z.a. hier de vereeniging genoemd, werd van de werkende leden.

Eveneens bestond in Mengwi het .,rampagrecht", doch met vergoeding.

Tegenwoordig wordt de pengohot in Mengwi in geld betaald en jaarlijks vastgesteld door vrije werking van vraag en aanbod. Bedroeg vóór de aardbeving van 1917 die afkoopsom per tektek 300 duiten (=60 cent), na de aardbeving werd ze per 2 tektek op één rijksdaalder gebracht, aangezien de moeite van het onderhoud der werken zeer was verzwaard.

Evenals in Boelèlèng moest ook in Mengwi de sedahan tjenik zijne goedkeuring hechten aan de keuze van eenen nieuwen klijang soebak. Laatstgenoemde was vrij van padjeg over zijne eigen sawahs, (de wisselklijangs in Blajoe ieder van 2 tenahs), genoot bovendien een bepaald aantal tekteks bevloeiingswater en bij deeling van de pengohot kreeg hij als hoofd van de sekaha empelan een dubbel aandeel. Bovendien ontving hij 1/3 van de boeten, welke opgelegd werden in de zaken, welke hij zelf mocht afdoen.

In Tabanan heette het soebakhoofd mekel soebak of pambekel soebak1), hij was tevens mekel sekaha, hoofd van de soebakvereeniging, sekaha tjarik, bestaande uit alle, sawahbezitters. Hij werd bijgestaan door djoeroe arahs of oproepers, die geen sawahgebied doch een zeker aantal leden onder zich hadden Dit aantal leden was voor de verschillende soebaks verschillend, alnaar de afstanden, welke de leden uiteenwoonden. De zorg voor de waterwerken was hier in handen van bepaalde vereenigingen. Sekaha jèh of sekaha toja d.i. watervereeniging, welke men dus kan vergelijken met de sekaha pekasih in Bangli, sekaha pekasih jèh in Gijanjar. sekaha empelan in Mengwi. Toch is er een belang-

*) Deze wordt hier per tektek water en niet per tenah berekend. ') Soebak-verordeningen blz. 24, 60 en 61.