is toegevoegd aan uw favorieten.

Het adatrecht van Bali

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

193

lier belang van vorst of groote te behartigen viel. In Badoeng, waar, gelijk reeds opgemerkt, een sterk gecentraliseerd bestuurswezen voorkwam, stond aan het hoofd van die geheele ambtenaren- en hoofdeninrichting, de rijksbestuurder (prebekel gdé, penjarikan gdé enz.) een ambtenaar dus, die in beide groepen thuis behoorde. Moesten de dienstplichtige onderhoorigen van den hoofdvorst worden opgeroepen, dan gaf hij voor den rechtstreeks onder den vorst staanden pengajah njoetjoek x) daartoe last aan de vijf pergaé's die hem bijstonden en die de noodige bevelen gaven aan de prebekel njoetjoek en, voor de overige dienstplichtigen aan de poenggawa's, die via mantja's prebekels en djoeroe arahs de verspreid wonende paleisdienstplichtigen bereikten. Moest echter een algemeen belang behartigd worden, z. a. het wegslaan van den grooten dam, een pitrajadna-plechtigheid of eene andere groote plechtigheid in de vorstelijke familie, alsmede ingeval van oorlogsgevaar e. d. aangelegenheden, saamgevat als geboeg goemijan, dan ging daartoe wederom het bevel af van den patih voor de désa njoetjoek 2) wederom langs den weg van de 5 pergaé's voor de overige districten over de poenggawa's, die door hunne mantja's de bandésa's bereikten, welke désahoofden voor het doorgeven naar de bandjarklijangs zorgden, waardoor ten slotte alle bandjarleden eene oproeping ontvingen (bebandjaran). Iets dergelijks deelde van Bloemen Waanders reeds mede voor Boelèlèng; aangezien in een désa vaak 10 poenggawa's het bestuur voeren, hetgeen hinderlijk is „om werken van eenig belang door de gezamenlijke désabewoners ten uitvoer te doen leggen, zoo wendt de vorst zich in dergelijke gevallen niet tot die poenggawa's doch doet eenvoudig den klijan désa, welke aan het hoofd der gezamenlijke sekahan bandjar staat, ontbieden en gelast dezen de bevolking d. i. de „wang bandjar" het verlangde werk te doen uitvoeren" ").

Van belang is echter tweeërlei in het oog te houden. Ten eerste, dat de scheiding van overheidstaak en beheer van dienstplichtigen niet is volgehouden en ten tweede, dat de eerste zorg allen onderdanen betrof, de tweede slechts den dienstplichtigen aanging. Beide tezamen"leveren nu juist de moeilijkheid, die we niet vermogen op te lossen. De dienstplichtigen waren in Gijanjar, Bangli, Kloengkoeng en Mengwi, waarschijnlijk aanvankelijk ook in Boelèlèng en Karangasem: de bezitters van een petjatoe, d. z. zij die in de désa de volle lasten torsten; in Badoeng en Tabanan bepaalde personen, die door geboorte tot die dienstplichtigen behoorden en in beide streken niet de gansche werkbare manschap. Het territoriale bestuur omvatte de gansche bevolking. Bedenkt

*) Vroom, n, blz. 14.

*) Zie voor désa njoetjoek in Gijanjar; Schwartz Gijanjar blz. 170. ■) v. B. Waanders blz. 122.