is toegevoegd aan uw favorieten.

Het adatrecht van Bali

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

228

In Badoeng 15, terug te brengen in den loop der jaren, tot onderscheidenlijk 6 en 5. Uit S. 1913 : 594 blijkt, dat het de wensch der regeering was, dat de nieuwe indeeling op geleidelijke wijze zou worden ingevoerd, z.a. het daar luidt: „in dien zin, dat de daarvoor in aanmerking komende districten worden opgeheven, zoodra door het defungeeren van het betrokken districtshoofd diens functiën aan den poenggawa van het blijvend district kunnen worden opgedragen, een en ander ter beoordeeling van den Besident van Bali en Lombok." Wijze woorden, die nooit eenigen indruk maakten. In Tabanan verklaarden de overcomplete districtshoofden, dat ingeval zij het waren, die aan eenigen door het gouvernement noodig geachten maatregel in den weg stonden, zij bereid waren het veld te ruimen. Zoowaar er werd van hun aanbod dankbaar gebruik gemaakt. In Badoeng ging het minder vlot, daar werd de vermindering van 15 op 5 eerst bereikt in vier jaren, daar was eerst de eene dan de andere poenggawa ongeschikt, dan kreeg de buurman een lap grond er bij en was hijzelf weer onbekwaam voor zulk een uitgebreid gebied. En tenslotte was dan het wettelijk voorgeschreven aantal van vijf bereikt, doch met verdringing van de oude Balische bestuursfamilies door twee mantri's politie van Boelèlèngsche afkomst (Mengwi en Kesiman). Die waren wel geschikt, want Boelèlèng was Zuid-Bali een flink stuk voor, m.n. wat het westersch schoolonderricht betreft. Zoo werden heel wat aanzienlijken gesteld buiten medebehartiging van de publieke zaak, velen die best, wellicht in eenigszins langzamer tempo, hadden meegekund. Zij kregen ondersteuning, zij konden binnen hunne poerimuren hun tijd verder in ledigheid gaan doorbrengen en pogen het leed te vergeten, dat de snelle achteruitgang van hun geslacht had teweeg gebrachtl).

Mantja's komen tegenwoordig in Zuid-Bali nog slechts bij uitzondering voor. Een enkele, die van Tjarangsari (Badoeng) schijnt niet, zooals de vier in Gijanjar, te moeten verdwijnen2). In dit laatste ressort zullen ook nog vier districtshoofden het veld moeten ruimen. Kan misschien het bovenstaande over Badoeng en Tabanan tot nadenken stemmen voor deze onderafdeeling?

Bij de benoeming der districtshoofden is van erfrecht met electie zoo goed als geen sprake meer, de electie is alleen overgebleven, gelijk mede uit het bovenstaande kan blijken. Allen genieten tegenwoordig evenals de regenten, eene vaste bezoldiging,

*) Er zijn thans in Zuid-Bali 33 districtshoofden, allen met den titel van poenggawa. Het districtshoofd, met don titel van prebekel in Tampaksiring (S. 1916:162) is sedert verdwonen. Ook de poenggawa in commissie, zgn. poenggawa koeliling (S. 1911:626) bestaat niet meer.

*) De mantja van Tjarangsari heet in S. 1913:594 adjunct districtshoofd. De vier bedoelde mantja's in Gijanjar zijn die van Sajan, Batoeloelan, Poedjoeng en Pèdjèng, zie S. 1916:162.