is toegevoegd aan uw favorieten.

Het adatrecht van Bali

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

265

in sommige Zuid-Balische landschappen kwam ook wel het nikel separo voor, d.i. verhooging met de helft. Dit geschiedt thans in Tabanan, wanneer de pengloerah de zaak te behandelen krijgt; komt ze tot den sedahan agoeng, dan heeft volledige verdubbeling plaats. In Gijanjar werd, ingeval van appèl bij de sangkepan pekasih, de door de soebak opgelegde straf verdubbeld en zoo daarna nog de „sang prajogija" er aan te pas moest komen, had herverdubbeling plaats. Was die prajogija de poenggawa of de pembekel pekasih?

Het reglement op de inheemsche rechtspraak, opnieuw vastgesteld bij S. 1921 : 760 (ter vervanging van het reglement van S. 1882 : 143), heeft de volksrechtspraak niet weinig gekortwiekt. De dorpsrechtspraak werd „geroyeerd op papier"*) en volgens de bewoordingen van artikel 10 van dat reglement zou er ook van de rechtspraak in de bevloeiingsgemeenschappen, niet veel over zijn gebleven. Het heet daar: „De klachten betreffende waterrecht en plantsoenen*), welke volgens de landsinstellingen behooren tot de competentie van den sedahan agoeng (ondercollecteur) en de hem ondergeschikte beambten, blijven daartoe behooren". Deze bepaling is voor een goed deel terug te vinden bij van Bloemen Waanders s) en is waarschijnlijk naar diens geschriften opgesteld. Deze schrijver bedoelde met die ondergeschikte beambten niet alleen de sedahans, doch ook de klijangs soebak en klijangs bandjaran soebak 4) en vroeger werd er reeds de aandacht op gevestigd, dat in zeker opzicht in Boelèlèng de sedahans door hunnen werkkring en hunne bemoeienis met de waterdistributie mogen worden beschouwd als ambtenaren, aan wie de klijangs soebak ondergeschikt zijn. We willen hiermede dus zeggen, dat bedoeld artikel niet een einde heeft willen maken aan de rechtsmacht der bevloeiingsgemeenschappen.

Hoe is de toestand in de practijk? Wanneer men leest, dat een bestuursambtenaar komt verklaren: „Of in Gijanjar vroeger volksrechtspraak bestond, weet men mij niet te zeggen" 5), bestaat er alle reden om te vreezen, dat er dan van zulke rechtspraak in het heden heelemaal geen sprake zal zijn. Toch zou men er van staan te kijken, indieii eens bekend werd, hoe tal-

*) Van Vollenhoven Adatrecht blz. 474, Fraser blz. 878.

') Niet bijster gelukkig lijkt ons de paraphraseering dezer bepaling in Adatrb., XV, blz. 62: „overtredingen van keuren op het gebied van plant en waterrecht", aangezien men dan allicht aan klapper- en koffiekeuren denkt, waarmee de sedahan agoeng c.s. niets te maken hebben.

•) v. B. Waanders blz. 201.

*) v. B. Waanders blz. 178.

•) Adatrb., XV, blz. 6. We veronderstellen hier misverstaan van de gestelde vragen.