is toegevoegd aan uw favorieten.

Het adatrecht van Bali

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

408

de dochters althans huwden met toestemming van den vader. Gelijk reeds werd gezegd behielden uitgeboédelden recht op stSun uit het geboortehuis in de gevallen waarin zij die behoefden1). Ook op andere wijzen werd bij het leven reeds bepaald, aan wie het vermogen, hetzij onmiddellijk, hetzij na overlijden zou overgaan. Het vroeger besproken ngatoerang raga, makedihang déwèk, ngangkat koasa, is daarvan een voorbeeld. Schenking van het geheele vermogen met oplegging van den crematieplicht schijnt ook niet onbekend geweest te zijn2). Ook merkwaardig is het gebruik van saling ngodag, zich aan elkaar overgeven, waarbij twee personen afspreken, dat degeen, die het langst leeft alles van den ander erft en diens lijkverbranding bezorgt"). Veelvuldig komt verder voor, de afzondering van een deel van het vermogen, meestal in contanten, ter bezorging van de lijkverbranding van erflater. Dit bedrag moet echter worden beschouwd als een minimum en wordt dan ook in den regel met nog eenige malen datzelfde bedrag overschreden. Aan oudresident Damsté danken we een stuk, het midden houdend tusschen eene schenkingsacte en een testament, dat ter verkrijging van eenig inzicht in de begrippen der Baliërs ten aanzien van nalatenschappen van belang voorkomt. Het kan dienen als eene waarschuwing voor hen die meenen, dat een nalatenschap zoo billijk mogelijk onder de mannelijke en vrouwelijke erven moet worden opgedeeld en het erfrecht dienovereenkomstig willen inrichten. De korte inhoud van het stuk laten we hier volgen. In het jaar 1844 acht I Kot jong uit Karangasem, vader van zes zoons en in het bezit van vijftig sawahs en tien tuinen, vormende de nalatenschap van zijnen vader en zijn eigen vermogen, het noodig de bestemming van dit bezit vast te leggen in een geschrift, dat hij zijn oudsten zoon laat schrijven. De zoons krijgen allen één sawah en één tuin, alleen de oudste krijgt twee sawahs en één tuin; de jongste krijgt nog geen tuin, doch als we het stuk goed gelezen hebben, alleen een klein stukje grond met eenige djeroekboomen er op. Dit is de schenking. Sterft naderhand I Kot jong, dan moet hetgeen hij onverdeeld het, worden bestemd tot vermogen van eene geslachtsvereeniging „sekaha roban", die zich ten doel heeft te stellen, de nagedachtenis van I Kotjong en diens vader te eeren in twee plaatsen, Poh en Kedampel, verder de lijkverbrandingen in de familie te bekostigen en heilmaaltijden te geven. Wie inbreuk maakt op deze vaderlijke beschikkingen, door bv. meer te nemen dan de vader ieder toewees, zal nadat de oudste zoon gepoogd zal hebben het teveel genotene ten bate van de vereeniging terug te eischen, (en daarop een afwijzend antwoord ontvangen zal hebben) het onrechtmatig verkregen goed

*) Zie ook Adatrb., XXHL blz. 305 en 307. *) Adatrb, XV, blz. 120. *) Adatrb, XXIII, blz. 338.