is toegevoegd aan uw favorieten.

Het adatrecht van Bali

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK X.

RECHTEN OP GROND EN WATER.

A. Grondenrecht.

Het beschikkingsrecht. De religieuze herkomst van het beschikkingsrecht der indonesische rechtsgemeenschappen werd door onderscheiden schrijvers voor verschillende deelen van den Archipel nagespeurd1), door Van Ossenbruggen voor geheel Indonesië2), door Snouck Hurgronje voor het Gajoland ), door Adriana en Kruyt voor MiddenCelebes4) en in het bijzonder door Liefrinck, aan wiens werken ook de naam „beschikkingsrecht" ontleend is, voor Bali5). Op dit eüand, waar het dienen der Goden om zoo te zeggen dagelijksch werk is van man, vrouw en kind, en bovendien druk feestwerk op bepaalde tijdstippen van elk jaar, kan het niet anders, of de godsdienstige ondergrond van het fundamenteelste aller rechten op den grond komt telkens aan het daglicht. Alle grond behoort den Goden; dezen hebben niet den désa's het beheer in hunnen naam over een bepaald begrensden kring dier gronden toevertrouwd6) doch deze gemeenschappen beheeren die gronden, juist omdat ze den Goden toebehooren (Wong désa angertanin goemin Ida Batara „apan tégal doewèn ida i ratoe") 7). Dezen hebben hun verblijf in de onontgonnen streken, bij voorkeur op de bergtoppen, die de Baliër beschouwt als het hoofd, tegenover de door menschen voor zich in beslag genomen vlakte, die hij als de onreine voeten van zijn

*) Van Vollenhoven miskenningen blz. 20; dez. Indonesiër blz. 8.

') Pandecten adatrecht, I, plaats 1.

*) Pandecten adatrecht, IVa, plaats 1.

*) Pandecten adatrecht» L plaats 3, IVa, plaats 2.

•) Pandecten adatrecht, I, plaats 4, IVa, plaats 5.

•) Liefrinck Bali blz. 254, 271, 273, 307, 37L 372.

») Deze laatste zimnede beteekent: omdat de droge gronden het eigendom zijn der Goden, doch o.i. is Liefrinck's beroep op het reglement van Koeboetambahan om te bewijzen, dat niet aan den vorst, doch aan de Goden de grond toebehoort, weinig gelukkig, want de vorst wordt daarin juist evenzeer met i ratoe aangeduid. Het heet van dat reglement bv. „apan paitjan ida i ratoe poerwa boemi, didalem, ring Boelihan, ajwa ima": „Want het is een gunstbewijs van den vorst, heerscher des lands, in het paleis te Boelihan, men zij niet nalatig (het op te volgen). Liefrinck Bali blz. 372 en 442.