is toegevoegd aan uw favorieten.

Het adatrecht van Bali

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

427

en Oost-Java is dat proces voor de meeste streken reeds ver gevorderd" *-)'. Liefrinck heeft met veel talent hetzelfde beschreven voor de Balische sawahs. Zijn betoog komt op het volgende neer. De grond in den oorspronkelijken toestand en niets anders vertegenwoordigende dan de natuurwaarde, is onder het beschikkingsrecht van de betrokken gemeenschap; individueele rechten daarentegen gelden krachtens de aan de natuurwaarde toegevoegde waarde van den menschelijken arbeid en zoo deze laatste waarde te niet gaat en dus alleen de natuurwaarde overblijft, rust ook alleen op den grond nog het beschikkingsrecht. Het gevolg is, dat, keert de grond tot den woesten staat terug, of wordt deze heerloos, de beschikkingsgerechtigde gemeenschap daarover het 'beheer herneemt. Zoo zou het op zichzelf al begrijpelijk zijn, waarom ten aanzien van sawahs, waaraan geweldige hoeveelheden menschelijke arbeid zijn besteed om ze in dien uitnemenden cultuurtoestand te brengen, het beschikkingsrecht weinig gelegenheid krijgt zich te uiten. Daarbij zagen we reeds hoe de vorming van soebaks en de belastingheffing vanwege den vorst de meening kwamen versterken dat er voor beschikkingsrecht, niet anders dan bij hooge uitzondering, plaatselijk beperkt, nog gelegenheid was tot uiting te komen, waarbij nog kwam, dat ook over heerlooze gronden de vorst het beheersrecht van de désa overnam, ze nl. blijvend ten eigen bate in beheer nam % Toch lijkt het ons, met eenige nieuwere gegevens in de hand, niet twijfelachtig, dat de meening, dat over het geheel het beschikkingsrecht ten aanzien van sawahs zou zijn afgestorven, eenige herziening behoeft. De uitzondering van herverdeeling van sawahs, die Klandis te zien gaf, kan buiten beschouwing blijven. In de désa's, waar het begrip bestond, dat de „tgakan-désa", het désa-grondaandeel, dat ook uit sawahs bestond, of de petjatoe, grondslag vormde voor alle verplichtingen jegens de gemeenschap, kwam ook de opvatting voor, dat bij niet-nakoming van die verplichtingen of bij heerloos worden van den grond, deze weder ter beschikking kwam van de gemeenschap, in het eerste geval niet dan nadat door het aanbrengen van een sawèn op die gronden het betrokken lid gewaarschuwd was, dat hij voor zijn nalatigheid moest boeten en alsnog zijne verplichtingen had na te komen. Komt deze opvatting nu veel voor? Uit de jurisprudentie zouden wellicht tientallen van voorbeelden zijn saam te zoeken, waarin echter de raden van Kerta's niet de minste aandacht geschonken hebben aan de rechten der désa's; van eenig beschikkingsrecht over sawahs kan geen sprake zijn was de algemeen verbreide meening.

Toen echter de petjatoe-misère de belangstelling voor het grondenrecht deed toenemen, trokken eenige rechtszaken, aanvankelijk

*} Van Vollenhoven Indonesiër blz. 5. ') Pandecten Adatrecht, I, plaats 1548.