is toegevoegd aan uw favorieten.

Het adatrecht van Bali

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

436

waarbij bet strafbaar is zicb ook niet-afgevallen nooten toe te eigenen1).

Het weiderecht beperkt zich niet, gelijk reeds bleek, tot de woeste gronden binnen een beschikkingskring, doch strekt zich ook uit over de bebouwde terreinen, waaronder dus de sawahs, nl. wanneer deze braak liggen. Den tijd gedurende welken er geen vee geweid mag worden en waarvan het begin wel door het plaatsen van merkteekens „sawèns" wordt aangegeven2), noemt men de „kerta ring tjarik". Door het schaarsch worden van de eigenlijke weidegronden, zijn pok deze wel onder de désaheden verdeeld, zoodat nieuwe dorpsgenooten of nieuwe veebezitters daarvan geen gebruik kunnen maken. Zij ontvangen dan van de dorpsvereeniging wel een stuk grond met jong bosch, dat na driemaal leegkappen reeds voor weide geschikt is8). Dat er op Bali een groot tekort aan weidegronden is ontstaan, kan wel blijken uit het feit, dat het laten grazen van groot vee binnen de muren van heilige gebouwen, dat zijn in het algemeen tempels, strafbaar is gesteld. Zoo vee binnen de tempels iets beschadigt, wordt het deel van het dorpsvermogen4). Een andere wijze om aan plaatselijk gebrek aan weidegronden tegemoet te komen is het uitbesteden van vee naar andere streken. Zoo doet de bevolking van de barre Tafelhoek, waar in den drogen tijd geen sprietje kan blijven leven. De groote sawahvlakte van Mengwi staat dan vol padistoppels en bieden een goede weide aan.

De jacht staat ieder désa-inwoner zonder vergunning en vergoeding vrij binnen het gebied der désa; alleen kan het voorkomen, dat ten behoeve van tempelofferanden, de désavereeniging het recht om op bepaalde dieren te jagen voor zich reserveert0). Wie zich meester maakt van een door een ander gevangen dier tb.v. in een net of in een klem) is strafbaar, doch verleent hij ongevraagd den jager hulp, bv. door het in den val geloopen wild af te maken, dan krijgt hij aanspraak op een bepaald deel van het beest8).

Gegevens aangaande de rechten op parasgroeven, voor de Baliërs van zoo groot belang voor huizen- en tempelbouw, ontbreken. Zou de „panèmbak paras" wellicht niet een water- doch een parasrecognitie zijn? En de „panepas paras" niet een recognitie voor ingebruiknemen van grond, doch voor het gebruik van de parasgroeven? 7).

Het voornaamste voordeel, dat uit den grond te trekken is,

*) Pandecten Adatrecht, IV B, plaats 2024.

*) Pandecten Adatrecht, IV B, plaats 3265.

») Pandecten Adatrecht, IV B, plaats 2072.

*) Pandecten Adatrecht, IV B, plaats 2073.

') Pandecten Adatrecht, IV B, plaats 2133.

•) Pandecten Adatrecht, IV B, plaats 2134.

») Liefrinck Bali blz. 386.