is toegevoegd aan uw favorieten.

Het adatrecht van Bali

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

454

en het heeft ook geen oplossing gegeven als per Staatsblad 431 van 1906 gewrocht voor de Lomboksche pengajah-sawahs"1).

Van deze vier machtwoorden, die de regeering had kunnen spreken, is er wellicht geen een geheel en al bruikbaar. Zien we de zaak goed in, dan zou de regeering hebben te volstaan met de verklaring, dat de paleisdiensten zijn afgeschaft en van fictieve vorstenrechten niets over is, doch dat de verplichtingen verder aan het bezit van een petjatoe verbonden ten opzichte van de gemeenschappen, waarin petjatoe en houder thuis behooren, ongewijzigd blijven. De groei, welken die gemeenschappen zullen volgen, zal dan tevens bepalen welk karakter de petjatoe's naderhand zullen krijgen.

Woonerven en petjatoe's worden vaak in één adem genoemd als basis van verplichtingen ten opzichte van de dorpsgemeenschappen en vertoonen naast eenige verschillen, tal van punten van overeenkomst. Het grootste verschil zal wel zijn, dat eertijds voor het lidmaatschap de aanleg van een petjatoe gebiedend was vereischt, terwijl men voor toewijzing van een woonerf uit den beschikkingsgrond zijn aanspraak kon doen gelden, doch het bezetten van een woonerf geen vereischte van lidmaatschap was. De groote overeenkomst heeft men te zoeken in het verbod van accumulatie van petjatoe's en woonerven in één hand, waardoor voor beide dezelfde grens van vererfbaarheid bestond, verder in de verpandbaarheid van petjatoe's en erven en de onverkoopbaarheid van beide en ten slotte in het feit, dat beide een vaste maat hebben.

Dat het recht op woonerven voor de Baliërs een gewichtig onderdeel van het grondenrecht is, bevroedt men onmiddellijk, wanneer men bedenkt, dat de karang (pekarangan) ook plaats biedt aan den huistempel, een afzonderlijk ommuurd vak, waar de offerhuisjes te vinden zijn, welke sanggah voor het Balische gezin (de koeren) een gewijd stukje grond is2). Daarbij komt, dat in de volkrijke désa's jn de Zuid-Balische sawah-vlakte, het dicht opeen wonen van de bevolking vanzelf de noodzakelijkheid voelbaar maakte van nadere preciseering van de rechten en verplichtingen der erfbewoners, zoowel onderling als ten opzichte van aangrenzende openbare gronden (wegen).

Men erlangt een woonerf door zich te wenden tot de beschikkingsgerechtigde gemeenschap (désa of bandjar), die uit haar beschikkingsgrond de erven toewijst") en daarvoor meestal eenige droge gronden op de grenzen van de bewoonde kom in reserve houdt4). In Zuid-Bali verzoekt bijna steeds ieder jong gehuwd man om een eigen erf, in Noord-Bali schijnt men zoo lang moge-

') Damsté bestuursproblemen blz. 123.

') Pandecten Adatrecht, IVA, plaats 1064a.

■) Pandecten Adatrecht, IVA, plaats 1048.

*) Pandecten Adatrecht, IV A, plaats 1048.