is toegevoegd aan uw favorieten.

Het adatrecht van Bali

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

455

lijk bijeen te blijven1). Wordt het gehuwden lieden van buiten toegestaan zich in de désa te vestigen, dan krijgen ook zij erven toegewezen; zij ontvangen zgn. beneden-erven „karang ring üi en vaak slechts tot een beperkt aantal. Woonerven worden nl. verdeeld in drie categorieën: bovenerven „karang ring oeloe , middenerven „karang ring tengah" en benedenerven „karang ring ili". Bovenerven zijn die, welke gelegen zijn in de richtingen, die de onderhoudsplicht der erfscheidingsmuren aangeven. In Zuid-Bali moeten erfbezitters meest aan de Noord- en Oostzijdten hunne erfmuren onderhouden. De bewoners van de uiterste benedenerven aan de Zuid-Westzijde hebben, behalve die Noordelijke en Oostelijke muurtjes, ook aan de West- en Zuidzijde tijdelijk hun erf van een afsluiting te voorzien, welke permanent gemaakt moet worden door den a.s. bewoner van een nieuw benedenerf. De „karang ring tengah" zijn de erven om het dorpsraadhuis gelegen en mogen nooit aan vreemdelingen worden afgestaan. Gelijk gezegd is soms het aantal erven door gehuwde vreemdelingen te bezetten, bepaald2), in Tnganan Pagringsingan bv. niet meer dan 17; zijn er meer dan 17 erven bezet door lieden van buiten, dan kunnen er worden verjaagd, wanneer eigen dorpsgenooten moeite hebben aan een erf te komen.

Voor erven is een vaste maat bepaald, in Zuid-Bali meest 200 petjerakèns). Tijdelijk wordt het bezetten van grootere erven toegestaan, doch mocht er gebrek aan woongrond ontstaan, dan worden allereerst de grootste woonerven besnoeid. Dit is het zoogenaamde herverdeelen van erven („njepih"), dat men zich dus vooral niet heeft voor te stellen alsof plotseling al die kleimuren ondersteboven gehaald worden en elders herbouwd.

Een van de eerste rechten van een erfbezitter is zijn stuk woongrond geheel vrij te maken. Het bleek, dat de gemeenschap krachtens haar beschikkingsrecht het beheer heeft over onbezetten grond, bestemd voor woonerf of reeds tot woonerf gediend hebbende. Die gronden kunnen beplant zijn met boomen, welke nog bezit zijn van den laatsten erfbezitter of welke toebehooren aan hen, die van de désa die gronden in genotrecht kregen4). De erfbezitter mag die boomen koopen volgens een door klijang en penjarikan vast te stellen prijs. Verpande boomen kan hij inlossen, zoodat hij ze zelf in pand krijgt. Boomen, welke zich juist bevinden op de plaatsen, waar hij zijne behuizingen moet plaatsen, behoeft hij niet volledig te vergoeden. Hij kan nl. den boombezitter aanzeggen de boomen te kappen; is hem daarvoor evenwel een sommetje verschuldigd. Gaat de boombezitter niet binnen 10 dagen tot het kappen over, dan doet de erfbezitter het zelf,

') Pandecten Adatrecht, IV A, plaats 1047, 1050, 1051, 1053.

') Zie ook Pandecten Adatrecht, IVA, plaats 1055.

•) Zie ook Pandecten Adatrecht, IV A, plaats 1056.

') Pandecten Adatrecht, IV A, plaats 1054.