is toegevoegd aan uw favorieten.

Het adatrecht van Bali

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

499

Een énkel woord nog over de rente, die bij voldoende onderpand in den regel vijf procent niet te boven gaat, anders tot veel hooger bedragen kan stijgen. Volgens Van Bloemen Waanders leenen koopvrouwen aan spelers en dobbelaars bij hanenvechtpartijen wel geld uit tegen twintig tot honderd procent, terug te betalen nog op dien dag of uiterlijk eenige dagen later 1). Van bestuurswege werd in een peswara van 30 October 1900 (gewijzigd 13 Februari 1904, 7 Februari 1906 en 16 September 1910) in artikel 1 voorgeschreven „Bij het instellen van vorderingen tegen HindoeBaliërs en Sasaks wegens uitgeleende gelden tegen interest mag de gevorderde rente nimmer meer bedragen dan 2 % 's maands en niet stijgen boven het oorspronkelijk uitgeleende bedrag; bij leeningen op pand mag bovendien de geheele vordering niet meer bedragen dan de waarde van het pand2).

Het kredietwezen op Bali leent bijna uitsluitend geld uit aan hen, die voldoende onroerende goederen bezitten en ook de borgen moeten aan dezen eisch voldoen. Er werd reeds meermalen op gewezen, dat zoo juist het minst bereikt werden de kleine lieden, die het meest aan een klein bedrijfskapitaal behoefte hébben. Wil het kredietwezen aan zijn roeping beantwoorden, dan zal vnl. het aantal voorschotten tot kleine bedragen nog veel sterker dienen toe le nemen.

Bruikleen komt voor bij sieraden en gereedschappen. De Gijanjarsche vorsten hebben een reeks bepalingen gegeven voor het geval een leener nalatig blijft het geleende voorwerp terug te geven, wapens en gereedschappen hadden daarbij de bijzondere aandacht. Wanprestatie leidt tot vergoeding van de dubbele waarde. In hoeverre overigens de bepalingen in de practijk toepassing vonden, valt niet te zeggen 3).

Verhuur komt op Bali voor bij dogcars, grobaks, muziekinstrumenten en tooneelkleeding.

Voor bewaargeving is de Balische naam „ngepèt". Beschadiging van een in bewaring gegeven goed, tenzij een ongeluk daar de oorzaak van is, leidt niet alleen tot schadevergoeding, doch tevens tot boete4). Hetzelfde geldt voor désabestuurders en andere personen, die van de désa iets onder zich hebben. Aardig is de bepaling in de Kertasima, dat zulke lieden désabezit hebben te bewaren ter plaatse, waar zij gewoon zijn hunne eigen kostbaarheden weg te bergen5).

Bewaarneming komt overigens nog terloops ter sprake b.v. als gevolg van het opvangen van losloopend vee; volgens de sima soebak van Djambrana is de opva'tter gedurende veertig dagen

l) v. B. Waanders blz. 236—7.

■) Adatrb., XV, blz. 93 en 120.

*) Soebak-verordeningen blz. 141 en 215.

*) Kertasima blz. 201, Soebak-verordeningen blz. 231—3.

*) Kertasima, blz. 194.