is toegevoegd aan uw favorieten.

Het adatrecht van Bali

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

509

kostigt, is hieronder te brengen. Niet alleen dorpsgenooten doch ook leden van buurdorpen hadden hierbij te helpen ).

In de tweede plaats kent men het hulpbetoon, waarbrj men zrjn medeleden verzoekt met vrijen wil te komen helpen, in het vooruitzicht van wederdienst. Deze worden op Bali van de overige soort welbewust onderscheiden. Immers het zoo juist besproken hulpbetoon is gereglementeerd, zooveel dagen brj tandenvrjlen, zooveel dagen bij lijkverbranding, doch dan, leest men in de désaen bandjarregelingen, kan degeen, die de plechtigheid viert, nog zooveel maal als hij zelf wil en de anderen zich bereid toonen, de hulp zijner medeburgers inroepen. Dezen hebben daarbij uitzicht op wederdienst in soortgelijke gevallen. De buurtgenooten (tèmpèkgenooten) toonen zich steeds het eerste bereid. Tot de eerste soort hulpbetoon behoort het overbrengen van de zware iijkverbrandingsstellage naar de verbrandingsplaats. Tot de tweede soort het brengen van de asch naar zee (makirim). Als derde heeft men ditzelfde wederkeerig hulpbetoon, nu ingekrompen tot een kring van familieleden of-naaste buren, zoo bv. het leenen van allerlei2). Ten slotte het hulpbetoon zonder weder te hopen in den trant van het Atjehsche meuseuraja").

Over betaling van schulden met onvrijen arbeid ontbreken gegevens. Het komt op Bali echter wel eens voor dat wegens schuld veroordeelden, onmachtig zijnde aan het vonnis te voldoen, ten einde aan de verbanning die op de wanbetaling zal volgen, te ontkomen, met hun arbeid hun schuld voldoen. Vroeger verviel de schuldenaar met zijn gezin aan den schuldeischer, doch kon zich steeds weer vrij koopen *).

Verjaring is in het Balisch adatrecht niet overgenomen ondanks het feit, dat de raden van kerta's voor en na aan Hindoerechtsboeken ontleende verjaringsregels toepassen. De justiciabclen staan daar vreemd tegenover en weten niet alleen niet van verjaring in schuldzaken waarvan een schriftelijk bewijs opgemaakt is, doch evenmin in alle overige schuldzaken 5). De rechtsboeken vermelden als verjaringstermijnen nu eens vijf (pantjawarsa) dan weer tien jaren (dasawarsa) 6).

*) Liefrinck rijstcultuur, 1887, blz. 549—550.

•) Van Vollenhoven Adatrecht blz. 647, Adatrb., XXni, blz. 440 onder 20.

») Van Vollenhoven Adatrecht blz. 647 en 213.

') Soeb aks-verordeningen blz. 211 en 219.

») Anders in Adatrb., XV, blz. 120.

•) Adatrb., XV, blz. 120 en XXIH, blz. 301.