is toegevoegd aan uw favorieten.

Het adatrecht van Bali

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

553

ningen uit voor ons grootendeels onverstaanbare oorkonden, in ons geschrift op te nemen. Het feit dat deze losse gegevens toch eenigen indruk konden geven van de beteekenis welke die koperea platen ook voor de kennis van het adatrecht hebben, deed dien schroom verdwijnen. Voor zooveel noodig zij hier echter opgemerkt, dat zoo vol als bedoelde oorkonden zijn van kostelijke gegevens betreffende bestuur, rechtspraak en regeling, zoo voorzichtig zullen diezelfde oorkonden gebruikt moeten worden voor de kennis van de overige deelen van het adatrecht dier tijden, want evengoed als de latere vorstelijke regelingen zullen zij veel bevatten aan uitheemsche rechtsstof en ook destijds zullen wel reeds regelen zijn opgenomen, waarvan de vorst gaarne zou gewild hebben, dat zij zouden 'worden opgevolgd, zonder dat ze ooit levend recht zijn geworden1).

Madjapait ging door dezelfde oorzaken te gronde als later op Bali het rijk van den Déwa Agoeng, te weten door verslapping van het centrale gezag2). Lang na het jaar, dat de Javaansche traditie „heeft vastgehouden als dat van den val van Madjapait" (1478 A.D.) wordt nog van een Hindoeschen oppervorst op Java gesproken". Wanneer nu deze „oppervorst" definitief verdwenen is, is niet bekend; zijn geringe beteekenis maakt het begrijpelijk, dat zijn val ten slotte geen grooten schok heeft veroorzaakt. Waarschijnlijk heeft de zaak wel voor 1526 haar beslag gekregen" Van den ondergang der Hindoe-Javaansche beschaving is het

gevolg geweest dat „Op Bali de daar bestaande gehindoe-

iseerde cultuur een belangrijke versterking ontvangen (heeft V daar ook heeft zij gelegenheid gehad zich verder ongestoord te ontwikkelen"a). Op dit eiland breekt dus een tweede Hindoe-Balisch tijdperk aan, Hindoe-Balisch en niet Hindoe-Javaansch. Immers het moge waar zijn, „dat de groote instrooming van Javaansche elementen na den val van het Hindoe-Javaansch gezag en daaronder juist de vertegenwoordigers van godsdienst, kunst en wetenschap, de cultuurdragers bij uitnemendheid, een sterken stoot in Javaansche richting heeft kunnen geven, het is niet minder waar, dat door het losraken van allen band met het als zoodanig niet meer bestaande Javaansche cultuurcentrum die strooming noodzakelijkerwijze spoedig verzwakken en ophouden moest. De Balische beschaving was sedert op zichzelf aangewezen, het oude Balische volkskarakter kon zich weer doen gelden en heeft dat ook gedaan"4).

Het kan niet onze taak geacht worden te pogen uit de half legendarische, half geschiedkundige verhalen, die in omloop zijn

*) Van Vollenhoven Adatrecht, II, blz. 148.

*) Krom blz. 94.

•) Krom blz. 94—5.

*) Krom blz. 204—5.