is toegevoegd aan uw favorieten.

Het adatrecht van Bali

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

561

op de hoogte moeten zijn van Balische taal en Balisch recht. Grooten steun zal de Balische rechter kunnen vinden m een handig ingericht overzicht van de jurisprudentie der inheemsche rechtbanken. Aldus toegerust zal zijn taak van bedachtzamen rechtsvervormer voornamelijk liggen bij die onderdeelen van het Baüsch adatrecht, waarin vroeger de vorst zich krachtig deed gelden (naasting van erfenissen, kindsaanneming en kmdsinzetting e.d.). Gewaarschuwd dient te worden tegen de overmaat van Westersehe billijkheidsoverwegingen, die wel in de vonnisen te vinden zijn, welke naar de rechtsbegrippen van de bevolking m het geheel niet billijk blijken te zijn.

III Wat betreft de vraag in hoeverre Bali tot voorbeeld van andere streken van Indonesië kan strekken, het volgende. Vooraf ga de opmerking dat het eene deel van Bah een enkele maal het andere kan bijspringen. Zoo kan de inrichting van het bevloeiingswezen in Gijanjar en Bangli beter tot voorbeeld strekken voor Badoeng dan het Boelèlèngsche, dat juist als model werd gebezigd (boven blz. 241). Het Balische bevloeiingswezen is wel eens ter navolging aan Java voorgehouden (Happé, Groothoff) *). Wij willen zulks niet ontraden, doch wel er op wijzen, dat teleurstelling daarbij wel eens te wachten kon staan. Hoe gaarne de Baliër zich ook aansluit tot het bereiken van een of ander doel, toch zal hij zulks alleen doen als hij de zekerheid heeft, dat eigen krachten te kort schieten. Acht hij dit niet het geval, dan heeft de Baliër maar het liefst, dat de buitenwereld hem en zijn gezin rustig laat begaan. Hieruit blijkt dat de tallooze vereenigingen op Bah zijn voortgekomen uit een sterk gevoelde behoefte. Waar die behoefte niet wordt gevoeld zal overnemen van Balische modellen geen uitkomst brengen. Juist de groote zelfbewustheid, het zorgvuldig bepalen van de grenzen, tot waartoe eigen krachten vermogen te gaan, vormen de kracht van den Baliër. Eenmaal lid van eene gemeenschap geworden, spreekt in hem weer een sterk verantwoordelijkheidsgevoel voor het wel en wee dier vereeniging. „Vergeleken met den Baliër is de Javaan een waterverkwister in de tertiaire vakken", zegt Groothoff2). Dat spreekt boekdeelen. Geen Baliër zal het over zich verkrijgen vloeiwater te verspillen en wellicht zijn soebakgenoot te kort te doen. En dit spreekt ook boekdeelen voor de vraag of met den Javaanschen landbouwer hetzelfde te bereiken zal zijn, als de Baliër door eigen krachten tot stand bracht, indien niet eerst het karakter van eerstgenoemde zich in dit opzicht sterkt.

Nog een enkel woord aangaande de redenen, die ons er toe brachten dit werk op te stellen. Nergens zoo sterk als juist op Bali hebben we de waarheid bevroed van de uitspraak van Van Eerde.

*) Happé blz. 198 en v., Indisch Bouwkundig Tijdschrift, 1922, blz. 167—170.