is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Haagsche huwelijksverdrag

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

70

het mogelijk zijn dat in een enkel geval art. 3 toegepast wordt, nl. indien een Duitsoher hier te lande met een Oostenrijksche in het huwelijk wenscht te treden doch een beletsel van godsdienstigen aard der Oostenrijksche wet er zich tegen verzet. Maar ook dan zou men zich in plaats van op art. 3 op art. 8 lid 2 kunnen beroepen; m. i. dient echter het tweede lid van art. 8 enkel gebruikt te worden, indien de artt. 2 en 3 niet voldoende blijken, want het is te beschouwen als een aanvulling van deze beide artikelen. Indien men den invloed der openbare orde tot enkele gevallen wil beperken, moet men op de hoogte zijn van den inhoud der vreemde wetten tot welker toepassing men verplicht kan zijn. De conferenties nu hadden alleen de wetten der deelnemende staten ter beschikking en daarom werd in 1900 het tweede lid van art. 8 toegevoegd 1).

Waarschijnlijk zal men in Nederland geen acht slaan op huwelijksbeletselen van godsdienstigen aard voorkomend in vreemde wetten en zal men dus vreemdelingen toestaan hier te lande te trouwen en een in het buitenland gesloten huwelijk hier erkennen, hoewel de nationale wet het verbiedt óm beweegredenen van godsdienstigen aard. Jurisprudentie over deze vraag is er niet. Groote voorzichtigheid is echter gewenscht, want meestal zal het vaderland van partijen het huwelijk nietig achten en het is noodzakelijk een dergelijke toestand zooveel mogelijk te vermijden. .

tusschen peter en meter en hun petekind, Ce. art. 145. Over de vraag of het Roemeensche recht ook het huwelijk van priesters en kloosterlingen verbiedt, sie Travers, I, bis. 864, noot 2. *) Zie hierna blz. 107.