is toegevoegd aan uw favorieten.

De candidatuur-Hohenzollern

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

99

Ik heb, alvorens nader in te gaan op 't critische deel van Rathlef's werk, dit voor zijn persoon zoo karakteristieke citaat medegedeeld, om te laten zien, welke crisis de algemeene vereering van Bismarck doormaakte in dezen tijd, en om er op te wijzen, dat men zeer voorzichtig moet zijn bij het bestudeeren van het wetenschappelijk gedeelte van zijn werk, waar hij het voor en tegen overweegt van de argumenten, die aangevoerd werden om Bismarck's politiek bij de candidatuur-HoHENZOLLERN als een agressieve te stempelen.

Als argumenten, die daarvoor kunnen worden aangevoerd, noemt Rathlef: *)

1. Dat de candidatuur werkelijk aanleiding werd tot een oorlog met Frankrijk, die bijna onvermijdelijk scheen, en volkomen in de lijn van de nationale ontwikkeling lag, die Bismarck wenschen moest, omdat zij zijn levenswerk afsloot: „Cui prodest fecisse videtur."

2. Bismarck moest vooruit zien, dat de candidatuur in Frankrijk een storm zou verwekken.

3. Dat Bismarck in zijn eigen geschriften nooit open over de kwestie gesproken heeft.

4. De getuigenissen van Röszler, Lothar Bucher en Moritz Busch.

Daartegen voert hij dan aan:

1. dat de getuigenissen van Röszler, Bucher en Busch niet overtuigend zijn;

2. dat de voorstelling, die Bismarck zelf geeft, ook te verklaren is, wanneer het niet in zijn bedoeling gelegen had agressief tegenover Frankrijk te zijn;

l) Rathlef: Zur Frage enz. bl. 163.