is toegevoegd aan uw favorieten.

De candidatuur-Hohenzollern

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

100

3. dat hij den storm in Frankrijk geringer verwachtte, dan hij inderdaad werd;

4. dat hij niet hoefde te verwachten dat Frankrijk zich tegen Pruisen zou wenden.

Dus, zoo vat hij zijn slotbeschouwing samen: niets dwingt ons aan te nemen, dat Bismarck agressieve bedoelingen had tegen Frankrijk; elk bewijs daarvoor ontbreekt.

Z.i. kan men Bismarck's actieve rol in de voorgeschiedenis der candidatuur ook verklaren uit zijn streven naar het behartigen van Duitsche belangen, n.1. om „die Politik Frankreichs mit einem Hemmnis zu belasten, es dadurch zu lahmen und an einem Kriege zu hindern."

Wat zijn eerste opmerking betreft, heeft Rathlef volkomen gelijk, waar hij zegt, dat men het „cui prodest fecisse videtur" niet kan aanvoeren als overtuigend bewijs voor Bismarck's agressieve politiek, want het verloop van een oorlog kan tot resultaten leiden, waaraan zelfs niet gedacht werd, toen men den oorlog begon.

Wat zijn verdere opmerkingen betreft, daarop is nog wel het een en ander aan te merken.

Wij zullen gemakshalve beginnen met zijn kritiek op het oordeel van een drietal tijdgenooten, met name Constantin Röszler, geheim-legatieraad. Moritz Busch, een bekend journalist, die voor de officieuse persberichten der Pruisische regeering zorgde, en ten slotte Lothar Bucher, die, zooals wij vroeger zagen, een actieve rol speelde in de voorgeschiedenis der candidatuur, en later Bismarck behulpzaam was bij het samenstellen der „Gedanken und Erinnerungen''.

Röszler1) neemt aan, dat in Bismarck's houding

i) Het oordeel van Röszler kan men vinden in zijn artikel over