is toegevoegd aan uw favorieten.

De candidatuur-Hohenzollern

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

101

tegenover Frankrijk na 1868 een verandering kwam, die hem niet alleen bewoog, den oorlog onder oogen te zien, maar ook uit te lokken. Hij gaat uit van de verkeerde opvatting,1) dat het Bismarck's bedoeling geweest was, Napoleon in staat te stellen, zich meester te maken van Luxemburg, als vergoeding voor Napoleon's welwillende houding in 1866. Toen Röszler moest vaststellen, dat Bismarck na 1868 niets deed om Napoleon compensatie te geven, kwam hij tot bovengenoemde conclusie.

Busch meent deze zwenking van Bismarck's houding tegenover Frankrijk te kunnen stellen in het voorjaar van 1870, toen de Driebondspolitiek van Frankrijk voor Bismarck groote gevaren opleverde.

Omtrent het oordeel van Röszler merkt Rathlef op, dat het zeer verklaarbaar is, dat een dergelijke hypothese opkwam bij iemand, die eenigszins op de hoogte was van de internationale verhoudingen van dien tijd en op de een of andere wijze iets vernomen had van de onderhandelingen over de candidatuur-Hohenzollern. Het ligt voor de hand dat men in deze jaren bij Bismarck een neiging tot oorlog ging veronderstellen, omdat hij in dezen tijd werkelijk bang was voor het sluiten van een bondgenootschap tusschen Frankrijk, Oostenrijk en Italië. „Ich hatte damals" (1868), zoo zegt Bismarck in zijn Gedanken und Erinnerungen, „wenig Zeit übrig, war praeoccupiert durch die Möglichkeit, ja Wahrscheinlichkeit, dasz Oesterreich auf französische Kriegsplane eingehen werde. Diese Sorgen und die Arbeit, welche sie nötig machten, erschöpften mich völlig."

Sybel's werk „Die Begründung des deutschen Reiches durch Wilhelm I" in de Preuszische Jahrbücher 1895 bl. 114-131; dat van Busch in Bismarck und sein Werk bl. 79-80.

*) Dat deze opvatting verkeerd is, blijkt uit Mr. W. H. de Beaufort, Nieuwe Geschiedk. Opstellen, 11, bJz. 25—32.