is toegevoegd aan uw favorieten.

De pijnbank in de Nederlanden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

27

genaempt Tinssen, die befaemt was, dat hy by, aen ende over geweest hadde alwaer een moert geschiet was, heeft den Drost hem vuyt dier

ofrsaecke doen apprehenderen ende heeft hem tot vier diversche

reysen ter tortuere doen leggen".%) In Groningen was in het midden der 16de eeuw de foltering in gebruik, zoowel in de stad als in de Ommelanden. Voor de laatste blijkt dit uit het ontwerp van 1540/1550 van het Ommelander Landrecht, het Landrecht van Hunsingo, Fivelingo en het Westerquartier, waarin voorkomt in Boek VII, art. 55: „dat sy (de richters) die beruchtigede persoonen sonder merckelijcke oorsaken niet stelle te pijnigen."

Van Gelderland is bekend, dat in 1455 te Arnhem gepijnigd werd2), in 1492 te Zutphen8). Dat in Friesland in het begin der 16de eeuw gefolterd werd, blijkt hieruit, dat in het oudste Crimineel Sententieboek van het Hof van Friesland (1516—1542) eene sententie voorkomt van 27 September 1516, waarin overwogen wordt, dat iemand „buten pyne ende banden van ysser bekent".

Geconcludeerd mag worden, dat in de 14de en 15de eeuw het inquisitoire proces zich hier te lande plaats veroverd heeft en in zwang gekomen is. Het was bekend als extra-ordinair proces (processus extra-ordinarius) omdat het afweek van de ordo van het gewone strafproces, dat was immers een proces tusschen twee partijen: klager en gedaagde, waar geprocedeerd werd met eisch en antwoord, repliek en dupliek, zooals in een civiel geding. Wielant zegt in zijn „Practijcke Criminele", dateerend uit den aanvang der 16de eeuw, waarin hij behandelt de practijk in Vlaanderen, dat er geprocedeerd wordt öf „ordinairlijck" als er een klager is, die aanbiedt bewijs te leveren, öf „extra>ordinairiijck" als er geen klagende partij is, maar de rechter procedeert ambtshalve. Voortreffelijk is het beginsel van het inquisitoire proces geformuleerd in Philips' Ordonnantie op den Stijl van 9 Juli 1570: „Dat in criminele zaken en de materiën geprocedeert sal worden van officie wegen om de oprechte waerheyt van den feyte te ondersoucken" (art. 7.), waarin is uitgedrukt èn de vervolging van overheidswege èn het zoeken naar de materieele waarheid. Het verdient opmerking, dat, terwijl Wielant naast elkander noemt het ordinaire en het extra-ordinaire proces, zeggende, dat somwijlen ordinair, somwijlen extra-ordinair wordt geprocedeerd, als vormen, in gelijke mate in gebruik, de Ordon-

*) J. S. Magnin. Geschiedkundig Overzigt van de Besturen in Drenthe. Hie st, le deel; bl. 257. s) G. van Hasselt. Kronijk van Arnhem, bl. 30. 3) R. W. Tadama. Geschiedenis der stad Zutphen, 1856, bl. 172.