is toegevoegd aan uw favorieten.

De pijnbank in de Nederlanden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

29

van den stucke van ziene ende wel weetene, maken volle preuve in materie criminele.

Confessie van den partien gedaen in jugemente gwillicht ende buijten allen banden van ijsere1), maect ook volle preuve.

Violenten presumtien, fame, opinien van volcke, vlucht noch andere inditien en maken geen preuve in materie criminele om te condempnerene2).

Met de nieuwe bewijsleer hangt het gebruik van de pijnbank samen; want, toen eenmaal het nieuwe beginsel ingang vond, dat formeel bewijs niet voldoende, overtuigend bewijs vereischt was, ontstond bij gebreke van getuigenbewijs — men denke vooral aan de gevallen met bewijs door aanwijzingen, dat voor veroordeeling niet voldoende werd geacht — behoefte aan de bekentenis van den beklaagde, zonder welke men dan niet veroordeelen mocht. Het gevolg daarvan was, dat, indien ernstige grond van verdenking aanwezig was, de foltering werd toegepast om tot bekennen te dwingen. Daaruit volgt, dat deze instelling, reeds door Ulpianus gebrandmerkt als een res fragilis, periculosa et quae veritatem fallat, is voortgekomen uit een hervorming van het strafproces, die zelf was toe te juichen: een strafvervolging in het openbaar belang met onderzoek naar de materiëele waarheid.

De ethische factor is deze. Het nieuwe proces was ook een reactie tegen de godsoordeelen, die het oude aankleefden. Hier te lande waren in gebruik de vuurproeven, de waterproeven, de kruisproeven, het baargerigt en de gewijde broodproeven, terwijl veelal ook het tweegevecht er toe gerekend wordt. Bij de vuurproeven hield de beschuldigde de hand eenigen tijd in het vuur of ging hij in zijn hemd er door heen, ook kwam het loopen over gloeiende ijzers voor. Bij de waterproeven moest hij een voorwerp opnemen uit een ketel met kokend water of — dit geschiedde veelal met heksen — de beschuldigde werd te water geworpen, waarbij drijven of zinken schuld of onschuld bewees. De kruisproef bestond hierin, dat beide partijen een tijd lang met uitgesrekte armen stonden, wie het eerst moede was, werd schuldig geacht. Het baargerigt was aldus: de beschuldigde moest het lijk op de baar aanraken. Bij de gewijde broodproeven kreeg hij een gewijd stuk brood of hostie in den mond, kon hij het niet doorslikken, dan hield men hem

*) D. w. z. vrijwillig afgelegd, niet op de pijnbank. De afgeperste bekentenis was niet voldoende, vandaar het gebruik, dat na de afpersing de verdachte nog eens gehoord werd om zonder pijniging te bekennen.

*) Wielant. Practijcke Criminele, geschreven aanvang 16e eeuw, caput 48. Dezelfde leer bij Damhouder, Practijcke in Criminele Saecken, caput 49.