is toegevoegd aan uw favorieten.

De pijnbank in de Nederlanden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

52

doende voor tortuur1). Daaronder heeft men te verstaan onvolledig bewijs, zooals de verklaring van één getuige, die de misdaad zelf heeft gezien, buitengerechtelijke erkentenis en het openbaar gerucht8), alsmede een behoorlijk bewezen aanwijzing; vol bewijs werd geleverd door twee goede getuigen, die de misdaad zelf hebben zien plegen3) en door bekentenis. Was er geen rechtstreeksch bewijs, slechts een aanwijzing, dan moet deze door twee getuigen bewezen worden*).

Er was minder bewijs noodig om te mogen folteren dan om te mogen veroordeelen. Maar hoeveel bewijs was voor veroordeeling vereischt? Wielant leert, nadat hij voorop heeft gesteld, dat in het algemeen niet op inditien mag worden veroordeeld, dat de dingen den rechter op drie manieren notoir worden: a. bij rechte, b. bij faicte, c. bij presumtien. Onder het eerste verstaat hij bekentenis en ander genoegzaam bewijs, waarmede hij bedoelt getuigenbewijs; onder het tweede „als 't faict openbaerlijck ghecommitteert es in presentie van volcke, alsdat de facteur dat niet geloogene en can". „Presentie van volcke" bestaat, wanneer er tien personen bij tegenwoordig zijn, en onder „openbaerlijck" verstaat hij, als het feit gepleegd is op straat, in de kerk, in het schepenhuis, op de markt of andere openbare plaatsen. Onder presumtie verstaat hij hier alleen een rechtsvermoeden5). Is het feit op een van die gronden notoir, dan mag de rechter veroordeelen. Damhouder stelt als eisch öf volledige bekentenis öf rechtstreeksch bewijs door twee goede getuigen, maar verwerpt bewijs door aanwijzingen niet geheel. Hij vermeldt, dat sommigen aannemen, dat veroordeeld mag worden op „ontwijfelijcke indiciën", die zoo sterk zijn, dat de rechter niet twijfelt aan beklaagdes schuld"). Hieromtrent waren de meeningen verdeeld. Hij zelf verstaat onder volle

%) Carpzovius t. a. p. pars III qu. 21 num. 14—19. Van Hogendorp t. a. p. J. Qarus. Omnia Opera, lib. V § Fin. qu. 21.

*) Van Leeuwen Censura Forensis, 1678, bl. 169 num. 33. De schrijvers waren echter niet eenstemmig over de vraag, of het wel noodig was, dat de aanwijzing door twee getuigen werd bewezen, sommige vonden één getuige voldoende. Cens. Forensis pars II, liber II, cap. VIII, num 12.

3) Damhouder. Practijcke in Crim. Saecken, cap. 49.

*) Van Heemskerk. Batavische Arcadia, 3de druk bl. 571. Van Hogendorp t. a. p. sub V. Carolina, art. 23. Aretinus, t. a. p. tit.'Quod Fama sub 10 Bort t a. p. tit. 9.

") Wielant t. a. p. capita X en XI.

°) T. a. p. cap. 54, sub 7. Uit de Latijnsche uitgave (cap. 54, 7) blijkt, dat Damhouder bedoelt het geval van samenloop van talrijke aanwijzingen. Over de vraag, of veroordeeld mocht worden op grond van aanwijzingen, waren de meeningen der Romanisten verschillend. Aretinus t. a. p. Tit. Comparuerunt dicti sub 6.