is toegevoegd aan uw favorieten.

De pijnbank in de Nederlanden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

67

vuldig werd toegepast. Het eerste is, dat voor veroordeeling ter dood bekentenis vereischt was; het tweede, dat de veroordeelde, die bekend had, niet mocht appeleeren. Beide hebben er toe geleid, dat de justitie er naar streefde een bekentenis los te krijgen en van de foltering een ruim gebruik maakte. Vooral de stedelijke rechtbanken, die zich gaarne aan het toezicht van een hoogeren rechter onttrokken, stelden veel prijs op een confessie.

Van Leeuwen zegt het ronduit: dat het een algemeene costume in Holland is, dat men den gevangene zooveel mogelijk op zijne confessie terecht stelt en wel omdat men daarmee het appèl afsnijdtl); vandaar dat gepijnigd werd „zelfs in zaaken en wel meest in zodanige, die buiten dat genoegzaam beweezen kunnen worden, hetwelk (in strijd met art. 61 der Crimineele Ordonnantie) gehee^Holland door in gebruik is gebleeven" *). Ook Matthaeus, de schrijver van De Criminibus, maakt daarvan gewag en keurt dit verschijnsel ten zeerste af. Hij zegt, dat in deze gevallen een dubbel onrecht wordt gepleegd: ten eerste wordt gefolterd, waar foltering niet noodig is, omdat er reeds genoeg bewijs is en ten tweede wordt dit gedaan om het voorrecht van appèl, uit menschlievendheid toegekend, af te snijden3).

Dat bekentenis vereischt was voor oplegging van doodstraf is meer als gewoonterecht dan als geschreven recht te beschouwen. Van Leeuwen zegt, dat het een „costume in deesen lande" is en spreekt ook van een consuetudo, volgens welke niemand ter dood wordt veroordeeld, die niet het hem ten laste gelegd misdrijf heeft bekend1). Het was oorspronkelijk in Europa algemeen van toepassing. De Carolina heeft zich er tegen verzet door te bepalen, dat, wanneer er voldoend bewijs is en de schuldige niettemin ontkent en hij bij zijne ontkentenis volhardt ook nadat men hem op het gewicht van het verkregen bewijs heeft gewezen, men veroordeelen moet zonder hem aan pijniging te onderwerpen (art. 69) en art. 61 van de Ordonnantie op de Crimi-

*) Van Leeuwen. Aanteekening hij de Costumen van Rijnland, art 1, num. 7.

*) Als voren num. 9.

') De Criminibus, uitg. 1715, bl. 530.

*) Censura Forensis. Pars II, lib. II, cap. VIII, num 1. Als beginsel van Hollandsch recht komt het voor in advies LIV van 1687 bij J. M. Barels. Crimineele Advysen. Ook van Wassenaar, Practyck Judiciëel (herzien door E. Cotius, 1746) zegt, dat deze costume bestaat „in deze Landen bijkans overal" I bl. 349. Het „Hollandsch Rechtsgeleerd Woordenboek", 1768, stelt als regel, die uitzonderingen toelaat dat „niemand met den Dood kan worden gestraft, tenzy hy alvoorens het Crime of Delict heeft geconfesseert" (bl. 77).