is toegevoegd aan uw favorieten.

De pijnbank in de Nederlanden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

78

dan bij verdachten. De verdachte zal onderhevig zijn aan een tweestrijd, aangezien hij eenerzijds belang heeft bij en dus geneigd is tot de bekentenis, die hem van de pijniging zal verlossen, anderzijds wil volharden in zijne ontkentenis uit vrees voor de straf. De pijn zal dus zoo hevig moeten zijn, dat de begeerte naar verlossing sterker wordt dan de vrees yoor straf. Nutteloos is de pijniging niet. Men mag de tortuur ook niet afkeuren, omdat haar, gelijk Tarde haar verwijt1), de mogelijkheid aankleeft, dat zij gebruikt wordt om iemand te dwingen tot spreken, hoewel hij niets weet. De mogelijkheid, dat een wapen verkeerdelijk zal worden aangewend, is niet voldoende om het af te keuren. Elk strafstelsel schept het gevaar, dat een onschuldige gestraft wordt, maar daarom is niet elk strafstelsel te verwerpen. Het stelsel der tortuur is aldus, dat dwang wordt uitgeoefend tegen dengene, die waarschijnlijk iets kan verklaren. Evenmin mag de tortuur worden afgekeurd op grond, dat de kans bestaat, dat eenen onschuldige een leed wordt aangedaan. Het gevaar, dat de overheid onschuldigen een leed aandoet, kleeft evenzeer, misschien wel in hoogere mate, onze preventieve hechtenis aan en toch mag deze niet worden afgeschaft. Ook zij richt zich tegen hem, die waarschijnlijk schuldig is. Voorts mag men niet voorbijzien — wij mogen niet onbillijk zijn in ons oordeel over afgeschafte en verguisde instellingen —, dat de pijniging niet slechts ten doel had den verdachte zoo lang te benauwen, totdat hem een bevestigend antwoord op de vraag, of hij schuldig was, ontsnapte en daarmede genoegen te nemen, maar door inwerking op het lichaam de verborgen waarheid aan het licht te brengen. De tortuur heeft ongetwijfeld beoogd het onderzoek naar de waarheid te dienen. Vandaar, dat reeds Ulpianus leerde, dat men bij de pijniging niet suggereeren mag door bijzondere vragen te stellen, maar in het algemeen moet vragen: qui quaestionem habiturus est non debet specialiter interrogare, sed generaliter; alterum magis suggerentis quam requirentis videtur (1. 1 § 21 D. XLVIII, 18), gelijk ook Wielant en Damhouder waarschuwden tegen het stellen van suggestieve vragen*), die door de Bambergensis en de Carolina uitdrukkelijk verboden waren: Keynem gefangen die vmbstende der missethat vor zu sagen, sonder in die ganz von jm selbst sagen lassen3). Vandaar, dat de beroemde en invloedrijke Hippolytus de Marsiliis vermaande zich niet tevreden te stellen met eene confessio

*) Tarde t. a. p. bl. 438.

*) Zie boven bl. 36. Damhouder, Practijcke in Cr. Saeken, caput 37. ') Carolina art 56.