is toegevoegd aan uw favorieten.

De pijnbank in de Nederlanden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

97

eene „bekentenis" was afgeperst1). Dit leidde dan ook van Heemskerk er toe te schrijven: „Het hert doet my wee, als ik gedenke, wat voor afgryselyke grouwelen onder schyn van regtsvorderinge aan vele onnoozele menschen zyn gepleegt geweest" a). Dat ook de van tooverij en hekserij verdachten met hardheid gefolterd werden blijkt o.a. uit de Amsterdamsche confessieboeken. Zoo werd op 23 Juni 1564 Volckgen ^ Harmensz, van tooverij beschuldigd, tot scherper examen veroordeeld en is „terstondt daerna metter choirde ende by geesselinge wel vreesselicke ende scherpelyck getorqueert geweest, sonder dat zy sonderlinge nyet daer deur bewegen ofte, naer gelegentheyt van de zelve geesselingen eenich geluyt gemaeckt, ofte sonderlinge gebloet heeft gehadt, sulcx dat mynen Heeren van den Gerechte 't voorsz. examen gecontinueert hebben tot nae den noene. Ende hebben voorts geordonneert mynen Heere den Substituyt van den Schout, dat hy die voorsz. Volckgen Harmens over al hare lichame sal doen scheren, de nagelen corten enz."

Op 27 Juni 1566 werd Fye Jansdochter, beschuldigd van tooverij, met koord en scherpe geeseling gefolterd, zonder dat zij iets bekende. Den volgenden dag werd zij „andermael metter choirde ende met strenge geesselinge getorqueert", maar wederom zonder eene bekentenis te ontrukkens). Hier ziet men, dat de practijk zich niet hield aan de leer, dat niet twee-maal ter zake van hetzelfde feit gepijnigd mag worden, zoolang niet nieuwe aanwijzingen aan het licht zijn gekomen. ^

Simon van Leeuwen deelt in de „Batavia Illustrata" een proces mede, in den jare 1595 gevoerd voor het Hof te Utrecht tegen eenige personen, beschuldigd van beesten betooverd en in de weide met den duivel gedanst te hebben, een geval, even leerzaam als merkwaardig. Aanvankelijk ontkenden de beklaagden, maar nadat sommigen aan de palei opgehaald en gegeeseld waren, gaf een hunner toe, dat de duivel hem geleerd had melk uit een strootje te tappen. Een andere beklaagde, eene vrouw, werd herhaaldelijk, minstens twaalf malen, gepijnigd, met de palei opgetrokken en gegeeseld. De mannen werden ter bancke gelegd en uitgerekt. Zoo kwamen allengs stukjes bekentenis los. Het einde van dit treurspel bestond hierin, dat vier van de beschuldigden, waaronder een 17-jarig meisje, verbrand werden en de drie andere, kinderen van 8, 13 en 15 jaar gegeeseld en in een gevangenis opgesloten werden4). Aan de processtukken, waarvan de inhoud door van

*) J. Scheltema. Geschiedenis der Heksen-processen. Haarlem, 1828 ) Batavische Arcadia, 6e druk, bl. 53. *1 Koning t. a. p. bl. 56. 4) Batavia Illustrata bl. 295—306.

Van Heijnsbergen, De Pijnbank in de Nederlanden. 7