is toegevoegd aan uw favorieten.

De pijnbank in de Nederlanden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

103

men sioh op dese saecke tot op mergen naeder behoorde te bedencken. Twelck by nader omvraege anders is verstaen.

Ergo de torture met eene stem overgehaelt". Evenmin is de tweede door Bilderdijk opgegeven grond juist. Dat de Witt niet is vrijgesproken, bewijst niet, dat hij niet tortuur heeft doorstaan. De practijk was immers aldus, dat, wanneer iemand de pijn doorstond, hij toch veroordeeld kon worden, zij het ook met eene extra-ordinaire straf als verbanning1).

In zijn opstel: „Het proces van Cornelis de Witt" neemt Dr. J. A. Wijnne aan, dat het verhaal der pijniging, zooals dat door Wagenaar en vele anderen wordt vermeld en overeenstemt met de „Gedenkwaardige Stukken wegens den moord der de Witten" (Wagenaars bron) juist is8). In een werk van 1672 (Het ontroerde Nederland) wordt echter met eene voorzichtigheid, die den nakomeling zou passen, gezegd, dat men niet te weten kan komen, of de ruwaard met de pijnbank slechts gedreigd is dan wel inderdaad gepijnigd is (bladz. 236). Dit verklaart Dr. Wijnne aldus, dat de scherprechter, die blijkbaar de eenige bron is van dit stukje gesohiedenis, tegenstrijdige mededeelingen heeft gedaan. Eerst heeft hij gezegd, dat de pijniging zoo weinig te beteekenen had, dat hij ze voor een glas wijn (gelijk de Gedenkwaardige Stukken vermelden) of voor een halven rijksdaalder (luidens Ontroerd Nederland) wel wilde doorstaan, terwijl hij later beweerde, dat hij voor vele duizenden guldens zoodanige pijn niet heeft willen lijden. Noch de eene noch de andere uitspraak van den beul heeft m.i. veel waarde, maar een brief is bewaard gebleven en bekend geworden, waarvan ook Wagenaar gewag maakt, van denzelfden beul, dien hij kort voor zijn dood (1672 of 1673) heeft geschreven aan de weduwe van den ruwaard, waarin hij zijn leedwezen heeft betuigd, dat hij de Witt zoo hevig had geweld3).

Ook in een brief van Gedeputeerden van de stad aan Burgemeesters en Regeerders van Amsterdam van 20 Augustus 1672, aanwezig in het gemeente-archief van Amsterdam, wordt vermeld, dat het een zware tortuur is geweest: „den heere Ruwaart heeft desen morgen sententie ontfangen bij dewelcke hij verklaart is van syn ampten vervallen en inhabiel te syn om eenig ander te bekleeden en voorts ten eeuwigen dage uyt desen lande gebannen, waarop den heere Raadpensionaris met syn caros naar de voorpoorte gereden synde om syn broeder die

*) Zie boven, hoofdstuk H, bl. 59.

*) Dr. J. A. Wijnne. Geschiedenis (verzamelde opstellen) 1872, bl 250. s) Wijnne t. a. p. bl. 251.