is toegevoegd aan uw favorieten.

De pijnbank in de Nederlanden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

141

heeft moeten toegeven aan de pijniging, u veroordeel ik. Ik voel wel, dat een bekentenis, ontrukt door het geweld der marteling, geen enkele waarde zou hebben; maar indien gij haar niet bevestigt, zal ik u opnieuw doen lijden."

Beccaria heeft zich ook verzet tegen het gebruik der tortuur om een schuldige te dwingen zijne medeplichtigen te noemen, zeggende, dat de pijnbank geen geschikt middel is om de waarheid te ontdekken en dus ook niet voor die waarheid. Wie zich zelf beschuldigt, zal gemakkelijker een ander beschuldigen. Overigens is het niet rechtvaardig iemand te doen lijden voor de misdaden van een ander. „Gewoonlijk vluchten de medeplichtigen, zoodra hun metgezel is aangehouden. De onzekerheid van het lot, dat hen wacht, veroordeelt hen tot ballingschap en waarborgt de maatschappij tegen nieuwe aanslagen, die zij tegen haar zouden kunnen ondernemen, terwijl de schuldige, dien zij in handen heeft, de andere menschen vrees aanjaagt door zijn straf en hen aldus van de misdaad verwijdert, hetgeen het eenige doel is van de tenuitvoerlegging." Door de laatste opmerkingen heeft de schrijver zijne bewering verzwakt: dat de onbekend gebleven medeplichtigen in ballingschap gaan leven is niet juist, evenmin als de veronderstelling, dat zij geen nieuwe misdaden zullen plegen. Bovendien is de stelling, dat het niet rechtvaardig is iemand te doen lijden voor de misdaden van een ander niet afdoende. Dit kan een noodzakelijk kwaad zijn. De strafrechter, die een straf oplegt, doet ook het huisgezin van den veroordeelde lijden, maar dit is onvermijdelijk en de getuige, die weigert getuigenis af te leggen, wordt gegijzeld. Het ware afdoende geweest deze bezwaren aan te voeren: 1° dat de foltering geen bruikbaar middel is om achter de waarheid te komen, 2° dat men een getuige niet door lichamelijke pijniging mag dwingen de waarheid te zeggen.

Reeds in de eerste helft der 18de eeuw had de Hollandsche Regeering haar aandacht geschonken aan de herziening van het strafprocesrecht en aan de mogelijkheid van afschaffing of beperking van het gebruik der pijnbank. In 1732 werd door de Staten van Holland een commissie benoemd, bestaande uit twee leden van den Hoogen Raad, twee leden van het Hof en de drie pensionarissen van Amsterdam, Haarlem en Alkmaar om revisie voor te stellen van de Crimineele Ordonnantiën, die men als grondslag aannam. In 1734 werd, omdat men wel inzag, dat die commissie haar werk niet spoedig ten einde zou brengen, haar opgedragen bij provisie van advies te dienen omtrent eenige nader aangeduide punten van het strafproces, waaronder ook het gebruik der pijnbank. Deze commissie heeft niets tot stand