is toegevoegd aan uw favorieten.

Ontwerp en gewijzigd ontwerp besmettelijke ziektenwet 1924, en de daarbij behoorende stukken, vergeleken met de bestaande wetten van 1872 en 1884 tot regeling van de bestrijding dezer ziekten en van aantekeningen voorzien

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

W. 65, art. 6;.W. 72» art. 16 7

O. en G. O. 24, art. 2

daarentegen zijn van oordeel dat de inspecteur en de burgemeester toch kennis moeten krijgen of het vermoeden gegrond of ongegrond bleek.

2b Ook moet men onderscheid maken tusschen groep A en groep B. Vermoedelijke gevallen van groep A. worden reeds thans vrijwel zonder uitzondering aangegeven, omdat de behandelende arts de verantwoordelijkheid der diagnose gaarne met den geneeskundigen ambtenaar deelt en vaak ook deskundige voorlichting bij die diagnose wenscht.

Dienovereenkomstig wordt er van geneeskundige zijde op aangedrongen de aangifteplicht te beperken tot vastgestelde gevallen van groep A en B en tot vermoedelijke gevallen van groep A met dien verstande, dat bij algemeenen maatregel van bestuur tijdelijk (en event. plaatselijk) ook den geneeskundige de plicht kan worden opgelegd vermoedelijke gevallen van één of meer ziekten van groep B aan te geven. Onder normale omstandigheden is trouwens de geneeskundige volkomen in staat alle voor beperking der besmetting bij vermoedelijke gevallen van groep B gewenschte voorschriften te geven, wat ten opzichte van groep A niet gezegd kan worden. (Zie G. O.)

»• Met name verdient het aanbeveling ruchtbaarheid te vermijden tot de diagnose vaststaat. Allereerst om verontrusting der bevolking te voorkomen en de reputatie van huisarts en deskundige, die zich beide vergist kunnen hebben, hoog te houden. Voor geval het kenmerk mocht worden behouden, zal dit niet aangebracht mogen worden op grond van vermoeden alleen. In de groote havensteden komt daar nog een andere factor bij, n.L de overgroote oeconomische belangen van een ongestoord handelsverkeer en de vérstrekkende gevolgen, die het vaststellen van een der tot groep A behoorende ziekte heeft overeenkomstig de bestaande internationale overeenkomsten: het „besmet" verklaren. Worden „vermoedelijke" gevallen van pest of cholera bijv. ruchtbaar, dan zullen de groote zeevarende mogendheden, die daarvan onmiddellijk — binnen enkele uren — kennis krijgen door middel van hun consulaire en andere ambtenaren, het zekere voor het onzekere nemen en tot besmetverklaring overgaan, een maatregel die, ook als zij slechts een of enkele dagen duurt, levensbelangen van een havenstad ernstig schaden kan.

Sd Zie ook voor de verhouding tusschen behandelend geneesheer en inspecteur W. 72, art. 20, noot 4 en de nieuwe regeling in het G. O.

* Onder „iedere geneeskundige" moet worden verstaan, ieder die de bevoegdheid heeft in Nederland de geneeskunst in vollen omvang uit te oefenen. Kwakzalvers vallen daaronder niet. Aangezien de plicht van het hoofd van het gezin om een geval van besmettelijke ziekte aan te geven — thans een doode letter — komt te vervallen, wordt door sommige artsen gewezen op het gevaar dat besmettelijke zieken, die door onbevoegden behandeld worden, voor de volksgezondheid opleveren, nu niemand tot aangifte verplicht is of in verzuim gesteld kan worden als aangifte achterwege blijft (zie W. 72; art. 19, noot 2).

Onder „iedere geneeskundige" moet allereerst verstaan worden de behandelende huisarts, resp. de in consult geroepen arts (dubbele aangifte kan echter gevoegelijk achterwege blijven). Ook schoolartsen, controleerende artsen, fabrieksartsen zijn ongetwijfeld tot aangifte verplicht. Van geneeskundige zijde gaan stemmen op, om dezen aangifteplicht niet te ver uit te strekken, zoodat de arts niet verplicht zou zijn bijv. een vervellend kind, dat hij op straat of in gezelschap tegenkomt, als een vermoedelijk geval van roodvonk aan te geven (beperken tot „in de uitoefening van zijn beroep"). Deze beperking kan ten opzichte van de gevaarlijke ziekten van groep A niet verdedigd worden. (Zie dienovereenkomstig de regeling in het G. O.)

* Door inkrimping van den termijn van aangifte tot 24 uur kon W. 72, art. 16 vervallen. Br was trouwens geen enkel argument, dat uitstel der aangifte verdedigbaar maakte. Deze verkorting staat in verband met de grootere snelheid waarmede tegenwoordig besmettelijke ziekten door de betere verkeersmiddelen verspreid worden en om zich heen grijpen.

6 Overeenkomstig O. 24, art. 46 moet de aangifte op plaatsen, waar een gemeentelijke gezondheidsdienst, is niet bij den inspecteur maar bij den directeur van dezen dienst geschieden. In dat geval vervalt de verplichting tot aangifte bij den burgemeester, omdat op plaatsen, waar een gemeentelijke gezondheidsdienst is, niet bij den burgemeester maar bij den directeur van genoemden dienst de draden van de besmettelijke ziektebestrijding samenkomen.

7