is toegevoegd aan uw favorieten.

Ontwerp en gewijzigd ontwerp besmettelijke ziektenwet 1924, en de daarbij behoorende stukken, vergeleken met de bestaande wetten van 1872 en 1884 tot regeling van de bestrijding dezer ziekten en van aantekeningen voorzien

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nieuw

35

O. en G. O. 24, art. 4

' Zie voor de verhouding tusschen (hoofd)inspecteur en burgemeester W. 72, art. 26. In gemeenten waar een gezondheidsdienst is, treedt de directeur van dezen dienst, overeenkomstig O. 24, art. 46, in de plaats van den inspecteur. Voor het beroep bedoeld in O. 24, art. 4, vierde lid, treedt de inspecteur dan in de plaats van den hoofdinspecteur.

• M. v. T. Die bewaking kan volstaan met een helpend en waarschuwend handelen, en behoeft niet zoo gestreng te zijn als de bewaking, die 0. 24, art. 3 beoogt. Zij kan worden toevertrouwd aan verplegendof ontsmettingspersoneel.

Zie voor het in dat geval wenschelijk zijn van het kenmerk als aanvullende maatregel W 72, art. 20, noot 3 (in het G. O. opgenomen).

9 Maatregelen van afzondering houden hier verschillende maatregelen van reiniging en ontsmetting in.

10 Hiar is alleen sprake van lijders; voor maatregelen ten opzichte van verdachten, contacten en ziektekiemdragers zie O. 24, art. 5, noot 7.

11 Dwang tot ziekenhuisopname is dus (zie het tweede lid) slechts mogelijk, indien de voorgeschreven maatregelen niet voldoende worden toegepast. Sommige geneeskundigen achten deze beperking van de bevoegdheid van den inspecteur niet gewensoht; deze beperking is echter slechts schijnbaar, omdat de inspecteur zoo noodig O. 24, art. 5, eerste lid kan doen toepassen. Vele geneeskundigen zouden rechtstreeksche bemoeienis van den inspecteur met maatregelen van afzondering in de woning betreuren, omdat deze zich dan als het ware indringt tusschen behandelend geneesheer en patiënt. Zij zouden gaarne zien, dat deze maatregelen geheel aan het inzicht van den behandelenden geneesheer werden overgelaten, te meer waar het peil der geneeskundige opleiding naar hun meening een voldoende deskundigheid op dat gebied bij den praetiseerenden arts waarborgt. In de practijk zal bovendien een harmonische samenwerking tusschen inspecteur en praetiseerenden geneeskundige onmisbaar zijn. (Zie ook voor de verhouding tusschen inspecteur en behandelend geneesheer W. 72e art. 20, noot 4.) Het is uitgesloten, dat de inspecteur persoonlijk al deze zaken behartigt. Br zou dan ook veel te veel kostbare tijd verloren gaan (zie G. O.),

18 Hierbij is niet, zooals bijv. btj art. 3, vermeld, wanneer deze maatregelen een einde nemen, met name wie beoordeelen moet of het gevaar voor besmetting, het bijzonder gevaar voor verspreiding geweken Is. De beslissing over het ontslag uit ev. ziekenhuisverpleging is ter zake geheel aan den geneesheer-directeur, resp. chef der besmettelijke afdeeling, zulks in tegenstelling tot de verhoudingen bij zieken van groep A (zie O. 24, art. 3, noot 3). Ook hier zal de medewerking der practiseerende geneeskundigen onmisbaar zijn (zie ook noot 11 en wat de verhouding tot den inspecteur betreft W. 72, art. 20, noot 4). De vraag of deze medewerking der practiseerende geneeskundigen gehonoreerd zal moeten worden, wordt door enkele geneeskundigen bevestigend, door velen ontkennend beantwoord.

1* Zie voor de bedreiging met straf van hen, die zich aan deze maatregelen onttrekken, O. 24, art. 35.

" V. V. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid wenschten enkele leden doorgaande aan den burgemeester te zien gegeven. Er moet — aldus deze leden — niet gewacht worden tot er in bijzondere mate gevaar voor verspreiding is; zoo ver mag het nooit komen.

Van het in het vierde en vijfde lid opengestelde beroep op den hoofdinspecteur werd vertraging van de te nemen maatregelen gevreesd; men meende, dat in elk geval zou behooren te worden bepaald, dat dé hoofdinspecteur binnen 24 uur zijn beslissing moet geven.

Sommige leden achtten het gewenscht, dat in dit artikel worde voorgeschreven, dat bij verschil van meening tusschen den inspecteur en den burgemeester in beroep kan worden gekomen niet bij den hoofdinspecteur, doch bij den Minister, met de uitvoering van de wet belast.