is toegevoegd aan uw favorieten.

Ontwerp en gewijzigd ontwerp besmettelijke ziektenwet 1924, en de daarbij behoorende stukken, vergeleken met de bestaande wetten van 1872 en 1884 tot regeling van de bestrijding dezer ziekten en van aantekeningen voorzien

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nieuw

53 O. en G. O. 24, art. 8, 2e deel

PUCJHT DER OUDERS EN VERZORGERS OM HET SCHOOLBEZOEK VAN KINDEREN UIT „BESMETTE WONINGEN" TE BELETTEN

Gewijzigd ontwerp artikel 8, vierde en vijfde lid. *

4. Hij in wiens woning, vaartuig of voertuig een geval van een besmettelijke ziekte van groep B is vastgesteld, en bij wien minderjarigen inwonen, is verplicht te zorgen, dat dezen niet een kinderbewaarplaats óf een school bezoeken, tenzij de behandelende geneeskundige aan het hoofd van de bewaarplaats of de school een schriftelijke verklaring geeft, dat gevaar voor overbrenging van de ziekte niet bestaat. Het bepaalde in het derde lid is van toepassing.

5. De verplichting, omschreven in het vorige lid, geldt mede ten aanzien van hem, bij wien minderjarigen inwonen, die in een andere woning, een ander vaartuig of voertuig, waarin een geval van besmettelijke ziekte van groep B is vastgesteld, verbleven w in een aan het vaststellen van dat geval voorafgaand tijdperk, dat voor iedere ziekte door Onzen Minister wordt bepaald u.

Ontwerp 1924 artikel 8,2e lid i 7. 2. Hij in wiens woning, voertuig of vaartuig een geval van een besmettelijke ziekte van groep A • of van groep B voorkomt, en bij wien minderjarigen, die een kinderbewaarplaats of een school* bezoeken, inwonen s of in een tijdperk van drie weken*, voorafgaande aan het vaststellen van het geval hebben ingewoond, is verplicht te zorgen, dat dezen niet in strijd met het bepaalde in het eerste lid een kinderbewaarplaats of een school bezoeken. In geval de inwonende minderjarigen* niet tot zijn gezin a behooren, wordt hij geacht aan de verplichting te hebben voldaan, indien hij bewijst, dat hij binnen vier en twintig uren, nadat het geval is vastgesteld, aan het hoofd van de kinderbewaarplaats of van de school daarvan kennis heeft gegeven. In die kennisgeving moet de naam van den inwonenden minderjarige wórden vermeld.

* M. v. T. Dit lid dient om den ouders den plicht op te leggenla te zorgen, dat hun kinderen niet in strijd met het voorschrift een kinderbewaarplaats of een school bezoeken. (Zie ook O. 24, art. 8, vierde lid, noot 6.)

1» Hierbij kan opgemerkt worden, dat het noodig zal zijn de ouders van tijd tot tijd aan dezen plicht te herinneren. In de missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 15 April 1873 wordt reeds de wenschelijkheid betoogd de Ingezetenen bij openbare aankondiging te herinneren aan de verplichtingen, hen bij W. 72, artt. 14 en 15 en andere artikelen opgelegd. Herhaling dier bekendmaking „zoodra zich een besmettelijke ziekte in de gemeente vertoont" wordt een nnttige maatregel genoemd.

* M. v. T. Die plicht wordt ten aanzien van hen, bij wie kinderen „in de kost" zijn, beperkt tot de kennisgeving, bedoeld in de tweede zinsnede. Verder reikende verpHchting zou ten aanzien van dezen niet billijk zijn, omdat zij geen gezag, rechtens, tegenover de bij hen ondeis gebrachte kinderen hebben.

53